Questionmark Perception
Dec 11 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Introduction


Quickscan VMBO NaSk 1

Question

1
We willen de stroomsterkte door een gloeilampje meten.
Bij de eerste meting blijkt het om een zeer kleine stroomsterkte te gaan.
We willen die kleine stroomsterkte zo nauwkeurig mogelijk meten en kiezen daarom de aansluiting die bij de kleinste stroomsterkte de grootste verplaatsing van de wijzer geeft.

       

Welke aansluiting moeten we kiezen?

Question

2
Bij een bepaalde meting hebben we gekozen voor de aansluiting zoals die aangegeven is in de figuur.
De ampèremeter geeft de uitslag aan die in de figuur te zien is.

       

Welke waarde geeft de ampèremeter aan?

Question

3
Een leerling krijgt de opdracht de dichtheid van een glazen voorwerp te bepalen.
Met een bovenweger bepaalt hij de massa. Hij bepaalt het volume door het glazen voorwerp in een maatglas met water te laten zakken. Het voorwerp bevindt zich geheel onder water.
Als de leerling het voorwerp bekijkt, ontdekt hij een aantal luchtbellen in het voorwerp.
Is de dichtheid van glas, dus zonder luchtbellen, anders dan de dichtheid van het voorwerp?

Question

4
We vergelijken twee gloeilampen P (60 W, 230 V) en Q (100 W, 230 V) met elkaar. De twee lampen worden aangesloten op de spanning die op de lampen is vermeld.
Welke van de onderstaande beweringen is goed?

I Lamp P verbruikt per seconde minder energie dan lamp Q.
II De stroomsterkte door lamp P is kleiner dan de stroomsterkte door lamp Q.

Question

5
Een leerling moet een schakeling maken waarmee de weerstand van een brandend lampje bepaald kan worden.
Welke van onderstaande schakelingen is geschikt om de weerstand van het brandende lampje te bepalen?

Question

6
Hieronder staan drie schakelingen 1, 2 en 3.
Onder elke schakeling staan gegevens van de spoel vermeld.

       

Als de schakelaars gesloten zijn, is de stroomsterkte in de drie schakelingen gelijk.
Kies de volgorde van sterkte van magnetische werking van de spoelen.

Question

7
Een slee wordt met een constante snelheid voortgetrokken.
De horizontale trekkracht F bedraagt hierbij 4,0 N.

       

Hoe groot is de wrijvingskracht die de slee ondervindt?

Question

8
Je wilt ijzerdraad doorknippen. Je kunt drie tangen gebruiken.
De soort tangen en de afmetingen staan in de volgende figuur.

       

Als je op elke tang een even grote kracht F uitoefent, welke tang knipt dan met de grootste kracht?

Question

9
Vader en moeder gaan met hun kinderen sleetje rijden.
Zij trekken ieder aan een touw dat met de slee verbonden is zoals aangegeven in het bovenaanzicht dat hieronder is getekend.

       

Ieder trekt aan het touw met een kracht van 45 N.
Hoe groot is de trekkracht die de slee ondervindt?

Question

10
Een tuibrug is een brug waarvan het brugdek is opgehangen aan kabels.
In onderstaande figuur zijn twee tuibruggen getekend.
De ene brug heeft lagere masten dan de andere.

       

       

De kabels dragen bij beide bruggen een even zwaar brugdek.
Bij welke van de twee bruggen is de spankracht in de kabels het grootst?

Question

11
Joop heeft een motorfiets. Hij rijdt hiermee weg.
Het verband tussen de snelheid v en de tijd t gedurende de eerste 6 s is uitgezet in het v,t-diagram hieronder.

       

Hoe groot was de gemiddelde snelheid van de motorfiets tot t = 6,0 s?

Question

12
v,t-diagram van de motorfiets van Joop.

       

Hoe groot was de versnelling van de motorfiets tijdens het optrekken?

Question

13
Van een bewegend voorwerp is het onderstaande v,t-diagram getekend.

       

Hoe groot is de afstand die het voorwerp tussen t = 0 s en t = 5,0 s heeft afgelegd?

Question

14
Zowel op een pot jam als op een pot pindakaas staat dat er 350 gram in zit.
Het inwendige volume van de pot jam is kleiner dan het inwendige volume van de pot pindakaas.
Vergelijk de dichtheid van jam met die van pindakaas.

Question

15
Tom en Jan doen samen de volgende proef.
Ze vullen een plastic zakje met suikerwater. Ze binden dat zakje dicht. Ze zorgen er voor dat er geen lucht in zit. Ze zien dat het zakje met suikerwater zinkt in het water. De invloed van het plastic moet je verwaarlozen.
Jan en Tom doen over de proef de volgende uitspraken.

I Jan zegt: "Het zakje met suikerwater zinkt omdat dit suikerwater een groter dichtheid heeft dan water."
II Tom zegt: "Als je minder suiker in het water had opgelost, was het zakje misschien wel blijven drijven."

Welke van deze uitspraken is of zijn juist?

Question

16
Jef gebruikt een soldeerbout.
Welke energie-omzetting vindt in de bout plaats?

Question

17
In onderstaande tekening is een radiator van een centrale verwarming schematisch getekend.

       

Tussen de muur en de radiotor heeft men verstevigd aluminiumfolie opgehangen. Dit doet men om te voorkomen dat de muur veel warmte opneemt.
De pijltjes (1), (2) en (3) geven het warmtetransport aan. Daarbij geeft (2) het warmtetransport aan na weerkaatsing door het folie.
Welke vormen van warmtetransport vinden vooral plaats in de richting van de pijltjes (1), (2) en (3)?

Question

18
In de tekening hieronder zie je de doorsnede van een verwarmingsplaat van een elektrisch fornuis.

       

De buitenwand van de plaat is van metaal. Het verwarmingselement is door een vulstof gescheiden van de buitenwand.

Moet de vulstof de warmte wel of niet geleiden?
Moet de vulstof de elektrische stroom wel of niet geleiden?

Question

19
In de grafiek hieronder is een geluidssignaal P afgebeeld.

       

Hoe groot is de frequentie van signaal P?

Question

20
In een diagram is de uitwijking van twee geluidssignalen uitgezet tegen de tijd.

       

Welk signaal heeft de grootste geluidssterkte?
Welk signaal heeft de hoogste toon?

Question

21
Marjan heeft een gitaar.
Zij wil de frequentie van een snaar vergroten?

 I Zij kan de snaar strakker spannen
II Zij kan de snaarlengte verkleinen door bij de hals van de gitaar op de snaar te drukken.

Welke manier(en) is/zijn juist?