Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Introduction

Maak de sommen:


Question

1
Johan koopt 6 tennisballen. 1 tennisbal kost € 1,50. Johan moet € betalen.

Question

2
Tim, Wahan en Astrid hebben samen 87 snoepjes. Ze gaan eerlijk delen. Ieder krijgt snoepjes.

Question

3
In de klas zitten 24 kinderen. Ieder kind betaalt € 2,50 voor een cadeau voor de juf. In totaal wordt er € opgehaald.

Question

4
Papa is 38 jaar. Hij was jaar toen Emiel werd geboren. Emiel is nu 9 jaar oud.

Question

5
Marian zit op voetbal. Ze traint op maandag 2 uur en op woensdag 2 uur. In weken traint zij 24 uur.

Question

6
Nino drinkt 2 bekers melk per dag. In 1 liter zitten 4 bekers. Na weken heeft hij 10 en een halve liter melk gedronken.

Question

7
Sheila en haar zusje zijn samen 14 jaar oud. Sheila is twee jaar ouder dan haar zusje. Sheila is jaar en haar zusje is jaar.

Question

8
Anton gaat wandelen. Hij loopt kilometer in een uur. Na 2 en een half uur heeft hij 10 kilometer gelopen.

Question

9
Oom Harm loopt 42 kilometer in uur. Hij loopt 14 kilometer per uur.

Question

10
Youssef haalt lege flessen op. Elke fles is 25 eurocent waard. Hij heeft flessen, dus heeft hij 5 en een halve euro statiegeld.