Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Introduction

Maak de sommen:


Question

1
In groep 7a zitten 23 kinderen. Gemiddeld verkoopt elk kind 15 loten. In groep 7b zitten 27 kinderen. Gemiddeld verkoopt elk kind 13 loten. Welke uitspraak is waar?

Question

2
In een doos gaan 30 blikken. Op een pallet passen 8 dozen. Bij de winkel worden 3 pallets afgeleverd. Dat zijn in totaal blikken.

Question

3
Welk getal heeft de meeste nullen?

Question

4
De lange zijden van een rechthoek zijn twee keer zo lang als de korte zijden. De omtrek van de rechthoek is 24 cm. Wat is de oppervlakte?

Question

5
Er zijn 1070 kinderen ondervraagd. Ze moesten aangeven wat hun lievelingsdier was. 321 kinderen zeiden: hond.
Welk deel van de grafiek laat dit zien?

Question

6
Marco rijdt in 3 kwartier van Appeldam naar Perenbroek.
Josh doet er 1 uur en 5 minuten over.
En Myrte doet er 58 minuten over.
Hoe lang doen zij gemiddeld over deze afstand?

Question

7
De klas krijgt 3 toetsen.
De eerste toets heeft 54 vragen.
De tweede toets heeft 68 vragen.
De drie toetsen hebben gemiddeld 65 vragen.
Hoeveel vragen heeft de derde toets?

Question

8
We hebben 4 planken:
De eerste is 50 cm lang.
De tweede is 2 keer zo lang als de eerste.
De derde is 2 keer zo lang als de tweede.
De vierde is 2 keer zo lang als de derde.
Hoe lang zijn de planken gemiddeld?

Question

9
In Dubbeldam wonen 9800 inwoners.
In Enkelvoort wonen 13 300 inwoners.
In Meerbroek wonen 8700 inwoners.
Hoeveel inwoners hebben de dorpen gemiddeld?

Question

10
Auto a rijdt 1 op 15. (Dat betekent: met 1 liter benzine kan de auto 15 kilometer rijden.) De auto heeft een tank van 35 liter.
Auto b rijdt 1 op 12. De auto heeft een tank van 45 liter.
Welke uitspraak is waar?