Questionmark Perception
Oct 16 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Question

1

Wat hoort bij de functies van het verteringsstelsel? Er zijn meer antwoorden mogelijk.




Question

2

Wat behoort tot de functie(s) van het spijsverteringsstelsel?




Question

3

Welke van de hier genoemde stoffen zijn voedingsstoffen voor de mens?




Question

4

Uit welke chemische elementen bestaan koolhydraten?




Question

5

Maak de zinnen compleet. Kies de juiste antwoorden.





Question

6

Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

Maltase splitst maltose in twee glucosemoleculen.
Lactase splitst lactose in een glucose- en een galactosemolecuul.
Maltase splitst maltose in een glucose- en een fructosemolecuul.
Amylase splitst zetmeel in disachariden.
Lactase splitst lactose in twee glucosemoleculen.
Amylase splitst zetmeel in monosachariden.




Question

7

Wat is van toepassing op cellulose? Er zijn meer antwoorden mogelijk.




Question

8

Hoe is een triglyceride opgebouwd?




Question

9

Maak de zinnen compleet. Kies de juiste antwoorden.





Question

10

Wat wordt bedoeld met essentiële aminozuren?




Question

11

Welke van onderstaande vitaminen zijn in vet oplosbaar? Er zijn meer antwoorden mogelijk.




Question

12

Hoeveel milliliter water verliest het lichaam per etmaal door verdamping, uitscheiding en ontlasting?




Question

13

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.





Question

14
Bekijk de afbeelding. Vul achter elk cijfer het juiste begrip in.





Question

15

Hieronder staan delen van het spijsverteringskanaal. Zet ze in de goede volgorde. Begin bij de mond.





Question

16
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

17
De wand van het spijsverteringskanaal bestaat uit een aantal lagen. Wat is de volgorde van binnen (vanuit het lumen) naar buiten?





Question

18
Uit welk type epitheel bestaat het grootste deel van de mucosa van het spijsverteringskanaal?




Question

19
Welk deel van de wand van het spijsverteringskanaal is verantwoordelijk voor de peristaltiek?




Question

20
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

21

Welke van onderstaande delen van de mondholte spelen een rol bij de spijsvertering?




Question

22

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

23

Maak de zinnen compleet. Kies de juiste antwoorden.





Question

24

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.





Question

25
Vul achter elk cijfer het juiste begrip in.





Question

26

Wat is van toepassing op speeksel? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

27

Wat gebeurt er achtereenvolgens wanneer je een voedselbrok doorslikt?





Question

28

Op welk moment bij het slikken start de slikreflex?




Question

29

Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

De trachea ligt ventraal van de oesophagus.
De mucosa van de wand van de oesophagus bestaat uit niet-verhoornend plaveiselepitheel.
In de wand van de oesophagus is de muscularis onderontwikkeld.
De oesophagus ligt in het mediastinum dorsaal van de aorta descendens.
De gastro-oesofageale sfincter verhindert terugstromen van voedsel vanuit de maag naar de pharynx.
In de oesophagus vindt geen vertering plaats.




Question

30

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

31

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

32

Wat zijn de functies van zoutzuur in maagsap?




Question

33

Wat is van toepassing op de maagsapproductie? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

34

Welk effect heeft gastrine op de spijsvertering?




Question

35

Welk hormoon stimuleert de pancreas tot de afgifte van pancreassap?




Question

36

Waardoor blijft vetrijk voedsel langer in de maag dan vetarm voedsel?




Question

37

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

38

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

39

Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

Enterokinase stimuleert de vetvertering in de dunne darm.
De vetvertering begint in de mond.
De vertering van dipeptiden vindt plaats in de maag.
De eiwitvertering begint in de maag.
De vertering van disachariden vindt plaats in de dunne darm.
De dunne darm bestaat uit het duodenum, jejunum en rectum.




Question

40

Wat is de rol van natriumbicarbonaat in de dunne darm?




Question

41

Hoe groot is het resorptieoppervlak van de dunne darm?




Question

42

Wat is van toepassing op de resorptie van voedingsstoffen in de dunne darm? Maak de zinnen af. Vul de goede antwoorden in.

worden overgedragen aan de lymfecapillairen in de wand van de dunne darm.
Aminozuren en monosachariden worden via
overgedragen aan de bloedcapillairen in de wand van de dunne darm.
De in water onoplosbare cholesterol en tryglyceriden worden door transportdeeltjes vervoerd. Dan zijn ze verpakt in
.
Vetrijke lymfevaten worden
genoemd.
Vitamine B12 kan niet zonder
uit de maag geresorbeerd worden.




Question

43

Hieronder staan de delen van de dikke darm. Zet ze in de juiste anatomische volgorde. Begin bij het deel dat aansluit op de dunne darm.





Question

44

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

45

Vul in: m. sphincter ani externus of m. sphincter ani externus.

Bij het zindelijk worden leer je invloed uit te oefenen op de
.
De
bestaat uit dwarsgestreept spierweefsel.
De
is opgebouwd uit glad spierweefsel.
De binnenste sluitspier van de anus is de
.
De buitenste sluitspier van de anus is de
.
Het defecatiereflex beïnvloedt de werking van de
.




Question

46

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

47

Wat is van toepassing op (delen van) de dikke darm? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

48

Wat zijn de taenia coli?




Question

49

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

50

Wat is van toepassing op (delen van) de pancreas? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

51

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

52

Wat is de kleinste functionele eenheid van de lever?




Question

53
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

54

Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

In de lever vindt aanmaak van cholesterol plaats.
In de lever worden giftige stoffen onwerkzaam gemaakt.
In de lever vindt opslag van vetten en glucose plaats.
In de lever vindt gluconeogenese plaats.
De lever scheidt de gal rechtstreeks in het duodenum af.
In de lever wordt ureum omgezet in ammoniak.
De lever is in staat nieuwe eiwitten te vormen.
In de lever vindt aanmaak van rode bloedcellen plaats.




Question

55

Hoe komt het dat er altijd geconjugeerde bilirubine in je bloed zit?




Question

56
Hoe heet de stof die de urine geel kleurt?





Question

57
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.