Questionmark Perception
Oct 16 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Introduction


Quickscan VWO Scheikunde 1

Question

1

Jan-Willem laat een stukje magnesiumlint met een overmaat zoutzuur reageren in een erlenmeyer.
       

De reactie die plaatsvindt, kan men als volgt weergeven: Mg + 2 H3O+ → Mg2+ + H2 + 2 H2O

Door reactie met Mg stijgt de pH van 0,522 naar 0,700.

Hoe groot is daardoor de concentratie van Mg2+ in de vloeistof geworden?
Geef je antwoord in mol L−1 in drie decimalen.

Question

2
Jan-Willem wil het waterstofgas dat ontstaat bij zijn experiment opvangen in een maatcilinder.
Hij plaatst daarvoor de maatcilinder, gevuld met water, omgekeerd in een bak met water (zie tekening).

       

Is dit een geschikte methode?
En waarom?

Question

3
Jan-Willem verwijdert halverwege de reactie de maatcilinder.
Is het gevaarlijk om nu een brandende lucifer bij het uiteinde van buis U te houden?

Question

4
Gegeven: De massa van een atoom arseen is 75 u.

Om de formule van arseendamp te bepalen, verhit men 12 g arseen in een afgesloten vat van 1,0 dm3 tot alle arseen is verdampt. Bij de temperatuur en druk waarbij dat het geval is, heeft een mol gas een volume van 25 dm3.

Wat is de formule van arseendamp onder deze omstandigheden?

Question

5
Een bekerglas bevat 100 gram zoutzuur. Hieraan voegt men 20 gram bleekpoeder, CaCl2O(s), toe.
De vergelijking van de reactie die plaatsvindt, is:

CaCl2O(s) + 2 H+(aq) → Ca2+(aq) + Cl2(g) + H2O(l)

Na de reactie is er geen vaste stof meer over.
Wat geldt voor de massa van de vloeistof na de reactie?

Question

6
       

In het bovenstaande diagram heeft men de snelheid s van een reactie uitgezet tegen de tijd. Vervolgens onderzoekt men het verloop van de reactiesnelheid van dezelfde reactie bij hogere temperatuur (onder overigens dezelfde omstandigheden). Het resultaat hiervan wordt in het oorspronkelijke diagram met een stippellijn weergegeven.

Hoe zal het diagram er nu uitzien?

Question

7
Bij een bepaalde reactie zijn uitsluitend de stoffen P, Q en R betrokken. Men zet de concentratie van de stoffen P en Q in het reactiemengsel uit tegen de tijd (zie diagram).

       

Welke van de volgende reactievergelijkingen is in overeenstemming met de gegevens uit het diagram?

Question

8
In een verzadigde calciumhydroxide-oplossing heerst het volgende evenwicht:

     

De concentratie van de Ca2+ ionen in deze oplossing bedraagt 0,010 mol L-1.

Hoe groot is de evenwichtsconstante (het oplosbaarheidsproduct) van dit evenwicht?

Question

9
Gegeven:
Methyloranje is een indicator die bij pH kleiner dan 3,1 rood kleurt en bij pH groter dan 4,4 oranjegeel kleurt.

In een reageerbuis met wat verdund zoutzuur doet men enkele druppels methyloranje. De indicator kleurt in deze oplossing rood.
Vervolgens voegt men wat vast dinatriumwaterstoffosfaat toe en schudt. De indicator kleurt dan oranjegeel.

Na het toevoegen van dinatriumwaterstoffosfaat bevat de oplossing
H+(aq) dan ervoor; het waterstoffosfaation heeft dus gereageerd als een 

Question

10
Kalkaanslag (calciumcarbonaat) kan men verwijderen met behulp van een ontkalkingsmiddel. Het verdwijnen van het calciumcarbonaat berust op een zuur-base reactie waarbij het CaCO3(s) wordt omgezet in o.a. HCO3- (aq).

Wat is het werkzame bestanddeel in een ontkalkingsmiddel?

Question

11
Het energiediagram van de reactie P + Q → R + S ziet er als volgt uit:

       


De reactie is


De activeringsenergie is

Question

12
Men voegt aan een oplossing van amino-ethaanzuur een grote overmaat geconcentreerd zoutzuur toe.

Welk organisch deeltje bevat de verkregen oplossing voornamelijk?

Question

13
Om het verschil aan te tonen tussen CaCl2 en CaBr2 kan men gebruik maken van een oplossing van

Question

14
Indien men een loodaccu oplaadt wordt aan één van de polen PbSO4 omgezet in Pb.
Als deze accu vervolgens stroom levert, treedt aan deze pool ...

Question

15
Men wil een di-ester bereiden met de volgende structuurformule:

       

Welk zuur en welke alcohol moet men daartoe met elkaar laten reageren?

Question

16
Men laat ethaan-1,2-diol (HO - CH2 - CH2 - OH) reageren met ftaalzuur (zie structuurformule).

     

Hierbij ontstaat, naast water, het polymeer terlenka.
De structuurformule van terlenka wordt juist weergegeven door ...

Question

17
Cellulose komt niet voor in:

Question

18
Welke van de onderstaande beschrijvingen is de juiste definitie van een peptidebinding?

Een peptidebinding is:

Question

19
Nederlandse hulp bij bestrijding van enorme steenkoolbranden in China

Een Nederlands bedrijf gaat China helpen bij de bestrijding van de enorme steenkoolbranden die daar telkens opnieuw de kop opsteken. De branden leiden niet alleen tot grote economische verliezen, maar versterken ook het broeikaseffect. Deze branden zorgen voor 2 tot 3 procent van de koolstofdioxide-uitstoot die over de hele wereld plaatsvindt. Dat is twee keer de totale Nederlandse uitstoot van koolstofdioxide.
De branden ontstaan vanzelf en zijn vaak ondergronds. De Chinezen bestrijden de branden door de brandende steenkoollagen te bedekken met zand of klei of met water te injecteren, of door de brandende steenkool weg te halen met graafmachines. De Nederlanders helpen de Chinezen door de ondergrondse branden tijdig op te sporen met behulp van infrarood-opnamen.

naar: NRC Handelsblad

In Nederland is al een aantal maatregelen genomen om het broeikaseffect te beperken. Sommige mensen vinden hulp aan China bij het bestrijden van steenkoolbranden nuttiger dan nog meer maatregelen in Nederland.
Welk argument is hiervoor (strikt genomen) het enige juiste?

Question

20
Waarin verschillen DNA-moleculen en RNA-moleculen NIET?

Question

21
Een manier om buta-1,3-dieen, een grondstof voor synthetische rubber, te maken, is een katalytische ontleding van ethanoldamp bij ongeveer 450 °C:
 
2 C2H5OH " C4H6 + 2 H2O + H2
 
Het rendement van deze reactie is 20%.
Wat geldt voor de atoomeconomie en E-factor bij deze vorming van buta-1,3-dieen?

Question

22

Een bepaald type apparaat om de concentratie van koolstofmono-oxide te bepalen, maakt gebruik van een elektrochemische cel. Wanneer de lucht koolstofmono-oxide bevat, vindt in deze cel bij één van de elektrodes onderstaande halfreactie plaats:

CO + H2O " CO2 + 2 H+ + 2 e

Welke van de beweringen over deze halfreactie is juist?