Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Introduction

Maak de sommen:


Question

1
Er wordt een dictee gemaakt. Als je 0 fout hebt, heb je een 10, bij 1 fout een 9, bij 2 fout een 8, enzovoort. Een 6 is nog voldoende.
In een klas van 25 kinderen zijn in totaal 126 fouten gemaakt.
Wat is waar?

Question

2
André zit op atletiek. Op zaterdag loopt hij de 100 meter in 15,3 seconden. Op zondag verbetert hij z'n score met 0,8 seconden. Hoe snel heeft André de 100 meter op zondag gelopen?

Question

3
Een doos is 2 dm hoog, 3 dm lang en 2 dm breed. In deze doos worden dobbelstenen verpakt. 1 dobbelsteen is 1cm x 1cm x 1cm. Hoeveel dobbelstenen passen er in de doos?

Question

4
Temperaturen:
maandag: -5
dinsdag: -7
woensdag: -9
donderdag: -7
vrijdag: -3
zaterdag: -3
zondag: -1
Wat was de gemiddelde temperatuur in deze week?

Question

5
In de eerste week van de uitverkoop is alles voor de halve prijs. In de tweede week kost alles de helft van de helft. Tim koopt een trui die oorspronkelijk €48,84 kostte. Wat moet hij in de tweede week van de uitverkoop betalen?

Question

6
Om een vierkant grasveld met een oppervlakte van 36 vierkante meter moeten 3 draden prikkeldraad gespannen worden. Hoeveel meter prikkeldraad is er nodig?

Question

7
De directeur van de school koopt bekers voor het tafeltennistoernooi. Er zijn vier eerste prijzen, vier tweede prijzen en twee derde prijzen.
Een eerste prijs kost €12, een tweede prijs de helft en een derde prijs daar weer de helft van. Wat moet de directeur betalen?

Question

8
Marcel, Jerry, Mario en Martin spelen allemaal een keer een potje tafeltennis tegen elkaar. Wat is waar?

Question

9
Een schaatser rijdt 500 meter in 36 seconden. Hoeveel kilometer rijdt hij met deze snelheid in een uur?

Question

10
De appels kosten €1,50 per kilo. Joris koopt 2 kilo. Wat moet hij betalen?