Questionmark Perception
Jul 17 2019 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Introduction

Maak de sommen:


Question

1
In groep 7a zitten 24 kinderen, in groep 7b zitten 28 kinderen en in groep 7c zitten 25 kinderen. Voor elke groep worden, vanwege een feest, pizza's besteld. Groep 7a en 7c krijgen ieder 6 pizza's en groep 7b krijgt er 7. Wat is waar?

Question

2
Bij het pleinfeest krijgen de leerlingen allemaal wat te drinken. Er zijn 348 kinderen. Er gaan 4 glazen uit een liter. Er worden 40 flessen cola van anderhalve liter gekocht. Hoeveel flessen sinas van anderhalve liter moeten er nog worden gekocht?

Question

3
De appels kosten €1,50 per kilo. Joris koopt 2 kilo. Wat moet hij betalen?

Question

4
Er wordt een sponsorloop gehouden. De opbrengst is €2500. 85% van de opbrengst gaat naar een goed doel. Hoeveel houdt de school zelf om de organisatiekosten te betalen?

Question

5
Joris en z'n vader gaan mat de auto naar oma. Het eerste half uur rijden ze gemiddeld 80 kilometer per uur. Daarna rijden ze nog een kwartier gemiddeld 60 kilometer per uur. Hoeveel kilometer hebben ze gereden?

Question

6
André zit op atletiek. Op zaterdag loopt hij de 100 meter in 15,3 seconden. Op zondag verbetert hij z'n score met 0,8 seconden. Hoe snel heeft André de 100 meter op zondag gelopen?

Question

7
Er wordt een dictee gemaakt. Als je 0 fout hebt, heb je een 10, bij 1 fout een 9, bij 2 fout een 8, enzovoort. Een 6 is nog voldoende.
In een klas van 25 kinderen zijn in totaal 126 fouten gemaakt.
Wat is waar?

Question

8
Om een vierkant grasveld met een oppervlakte van 36 vierkante meter moeten 3 draden prikkeldraad gespannen worden. Hoeveel meter prikkeldraad is er nodig?

Question

9
Drie vriendinnnen staan te praten: Barbara zegt: 25% is de helft van de helft. Nienke zegt: is ongeveer 67% Irene zegt: 75% is hetzelfde als drie kwart. Wat is waar?

Question

10
We gaan met 15 mensen uit eten. We moeten in totaal €487,50 betalen. Hoeveel moeten we per persoon betalen?