Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Introduction

Maak de sommen.


Question

1
Ilse traint voor een wielerwedstrijd. Op elke doordeweekse dag rijdt ze 25 km. Op elke dag in het weekend rijdt ze 35 km. Zij rijdt km per week.

Question

2
De kamer is 4 bij 4,80 m. Er liggen vloertegels van 40 bij 40 cm. Een derde van de tegels is blauw, de rest is grijs. Hoeveel grijze tegels liggen er?

Question

3
1 l is ml.

Question

4
Een vierkante hal heeft een oppervlakte van 6,25 vierkante meter. Wat is de omtrek?

Question

5
Een vierkante kamer heeft een omtrek van 18 meter. Wat is de oppervlakte?

Question

6
Een boom is 8 m hoog. Op dit moment is zijn schaduw 6 m lang. Naast de boom staat een lantaarnpaal van 4 m lang. De schaduw van de lantaarnpaal is m lang.

Question

7
Joris van 1,50 m staat naast een boom. De schaduw van Joris is 2,25 m, de schaduw van de boom is 12 m. De boom is m hoog.

Question

8
De lengte van een kamer is twee keer zo lang als de breedte. De omtrek is 24 meter. Hoe breed is de kamer?

Question

9
De oppervlakte van een vierkante kamer is 12,25 meter. Wat is de omtrek?

Question

10
20 druppels oogvloeistof zijn samen ongeveer 1 ml. Ik koop een potje van 1 cl. Elke dag gebruik ik tien druppels. Ik kan dagen doen met het potje.