Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Introduction

Maak de sommen.


Question

1
De kamer is 3 bij 3,60 meter. Ik heb vloertegels van 60 bij 60 cm. Hoeveel tegels heb ik nodig om de vloer van de kamer te bedekken?

Question

2
20 druppels oogvloeistof zijn samen ongeveer 1 ml. Ik koop een potje van 1 cl. Elke dag gebruik ik tien druppels. Ik kan dagen doen met het potje.

Question

3
Ik heb een doos van 8 bij 12 bij 6 cm. Ik heb blokjes van 2 bij 2 bij 2 cm. Er passen blokjes in de grote doos.

Question

4
Een vierkante kamer heeft een omtrek van 18 meter. Wat is de oppervlakte?

Question

5
Ilse traint voor een wielerwedstrijd. Op elke doordeweekse dag rijdt ze 25 km. Op elke dag in het weekend rijdt ze 35 km. Zij rijdt km per week.

Question

6
In een beker gaat anderhalf keer zoveel als in een kopje. Ik heb een liter water. Ik kan daarmee 2 bekers en 7 kopjes vullen. In een beker past dan cl.

Question

7
De muur is 4,20 breed. Een rol behang is 53 cm breed. Er gaan drie banen uit een rol. Hoeveel rollen moet je kopen om de muur te kunnen behangen?

Question

8
Ik ga laminaat leggen in een kamer van 4 bij 5,50 meter. Het laminaat kost € 6,25 per vierkante meter. Wat moet ik betalen?

Question

9
1000 cl is l.

Question

10
De kamer is 4 bij 4,80 m. Er liggen vloertegels van 40 bij 40 cm. Een derde van de tegels is blauw, de rest is grijs. Hoeveel grijze tegels liggen er?