Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Introduction

Maak de sommen.


Question

1
Hoeveel dagen heeft de maand oktober?

Question

2
Ard rijdt een schaatswedstrijd in 30,98 seconde. Jochem rijdt de wedstrijd in 30,93 seconde. Hoeveel tijdsverschil zit er tussen?

Question

3
Hoeveel seconden zitten er in 10 en een halve minuut?

Question

4
Martijn loopt 4 kilometer per uur. Hij wandelt elke avond van de avondvierdaagse 10 km. Hoe lang heeft hij in totaal gewandeld?

Question

5
Op welke dag begint de lente?

Question

6
Kinderen gaan in een jaar 40 weken naar school. Hoeveel doordeweekse dagen zijn ze vrij in een jaar?

Question

7
Hoeveel minuten is 540 seconden?

Question

8
Marianne heeft op woensdag anderhalf uur voetbaltraining. Van huis naar de club is een half uur fietsen. Voor het omkleden voor en na de training heeft ze bij elkaar 25 minuten nodig. Ze gaat om 13.00 uur van huis. Hoe laat is ze weer thuis?

Question

9
Andrea loopt 11 kilometer met een gemiddelde snelheid van 4 km per uur. Ze houdt halverwege een pauze van 20 minuten. Ze vertrekt om 11 uur. Hoe laat komt zij aan?

Question

10
Een sprinter rent 100 meter zo hard als hij kan. Wat is waar?