Questionmark Perception
Oct 22 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Introduction

Maak de sommen.


Question

1
Wat gebruik je om de tijd van een 100 meter sprint hardloopwedstrijd op te nemen?

Question

2
Hoeveel minuten is 540 seconden?

Question

3
Jorn moet om half negen op school zijn. Hij fietst 15 km per uur. Hij woont 6 km van school. Hoe laat moet hij uiterlijk van huis weg om op tijd te zijn?

Question

4
Hoeveel seconden zitten er in 10 en een halve minuut?

Question

5
Een voetbalwedstrijd duurt twee keer drie kwartier. Tussen de beide helften is er een kwartier pauze. De wedstrijd begint om kwart voor twee. Hoe laat is de wedstrijd afgelopen?

Question

6
Mieke loopt 4 km per uur. Ze woont 1,5 km van school. Ze gaat tussen de middag naar huis. Hoelang wandelt zij per dag?

Question

7
Martijn loopt 4 kilometer per uur. Hij wandelt elke avond van de avondvierdaagse 10 km. Hoe lang heeft hij in totaal gewandeld?

Question

8
Hoeveel dagen heeft de maand oktober?

Question

9
Marianne heeft op woensdag anderhalf uur voetbaltraining. Van huis naar de club is een half uur fietsen. Voor het omkleden voor en na de training heeft ze bij elkaar 25 minuten nodig. Ze gaat om 13.00 uur van huis. Hoe laat is ze weer thuis?

Question

10
Een sprinter rent 100 meter zo hard als hij kan. Wat is waar?