Questionmark Perception
Oct 20 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Introduction


Quickscan VWO Biologie

Question

1
Een vers stukje aardappel wordt gewogen en daarna in een glucoseoplossing gelegd. Na een uur wordt het eruit gehaald, afgedroogd en opnieuw gewogen. Het gewicht is toegenomen.
Wat valt hieruit af te leiden over de concentratie opgeloste deeltjes in het vacuolevocht vóór de proef, vergeleken met de concentratie van de glucoseoplossing?

De concentratie van de opgeloste deeltjes in het vacuolevocht vóór de proef kan

Question

2
In onderstaande tekening is in een dwarsdoorsnede de ligging van enkele organen in de romp van de mens weergegeven.

        

Welk orgaan is P?

Question

3
Met 'HLA-matching' bedoelt men dat:

Question

4
Binnen een populatie komen allelen in bepaalde frequenties voor.
Waardoor kunnen deze frequenties in de loop van de tijd veranderen?

Question

5
De ziekte Aids wordt veroorzaakt door een retrovirus, het HIV-virus. Een retrovirus bevat RNA dat in de gastheercel met behulp van het enzym reverse-transcriptase wordt getranscribeerd in DNA dat vervolgens in het gastheer-DNA wordt ingebouwd.
Wordt in normaal functionerende cellen van eukaryoten, bijvoorbeeld van de mens, DNA getranscribeerd in RNA? En RNA in DNA?

Question

6
Wat is de positie van de blinde vlek?

Question

7
Bij een voedselproject in een woestijngebied overweegt men water van grote diepte op te pompen en in bekkens te verzamelen. Dit water bevat veel keukenzout (NaCl). In dit water kan men, eventueel na toevoeging van andere elementen, algen kweken. Algen zijn planten die kunnen dienen als voedsel voor dieren en mensen.

Er worden drie situaties genoemd waarin de algen als voedsel kunnen worden gebruikt:
situatie 1: als voer voor vee dat wordt gehouden voor vleesproductie,
situatie 2: als voer voor in de bekkens te kweken consumptie vissen,
situatie 3: voor menselijke consumptie.

Vergelijk deze drie situaties waarin de algen kunnen worden gebruikt. Ga ervan uit dat de netto primaire productie in deze situaties even groot is. In iedere situatie komt een andere hoeveelheid biomassa in de vorm van voedsel voor de mens ter beschikking.
Welke van deze situaties levert de grootste hoeveelheid voedsel voor de mens op?

Question

8
Bij een veldonderzoek onder koolmezen werd er een bepaald verband gevonden tussen groei, voedselconsumptie en warmteproductie bij verschillende broedselgroottes (zie tabel).

     

Over dit verband worden vier beweringen gedaan:

   I De warmteproductie per jong is onafhankelijk van de broedselgrootte.
  II De groei per jong wordt nauwelijks beïnvloed door de broedselgrootte.
III De voedselconsumptie per jong en de warmteproductie per jong per uur zijn beide gekoppeld aan de broedselgrootte.
IV De voedselconsumptie voor het gehele broedsel is onafhankelijk van de broedselgrootte.

Welke beweringen zijn juist?

Question

9
Men wil van een populatie van een bepaalde diersoort het aantal individuen schatten. Men vangt 200 exemplaren en merkt deze. Daarna worden ze vrijgelaten. Na een tijdje worden weer 200 dieren gevangen. Hiervan zijn er 40 gemerkt. Op grond hiervan kan worden berekend uit hoeveel individuen de populatie ongeveer bestaat. Bij deze berekening wordt ervan uitgegaan dat het voor de vangkans niet uitmaakt of een dier al eerder is gevangen of niet. (In werkelijkheid laten dieren van deze soort die al een keer zijn gevangen, zich niet meer zo gemakkelijk opnieuw vangen.)

Wat betekent dit voor het werkelijke aantal dieren waaruit deze populatie bestaat?

Question

10
Welke baseparing is mogelijk?

Question

11
Wat is een noodzakelijke voorwaarde om de wet van Hardy-Weinberg geldig te verklaren voor een populatie?

Question

12
Welke bewering is juist?

Question

13
Bij Drosophila is het allel Q voor staafvormige ogen X-chromosomaal en dominant over dat voor normale ogen (allel q).
Het allel voor normale vleugels (allel R) is niet X-chromosomaal en dominant over dat voor kleine vleugels (allel r).
Een mannetje wordt gekruist met vrouwtje 1 en met vrouwtje 2.

De resultaten zijn:
mannetje x vrouwtje 1: alle nakomelingen hebben normale vleugels; zowel van de mannetjes als van de vrouwtjes heeft 50% normale ogen en 50% staafvormige ogen;
mannetje x vrouwtje 2: alle nakomelingen hebben staafvormige ogen; 75% heeft normale vleugels en 25% heeft kleine vleugels.

Wat is het genotype van vrouwtje 1?

Question

14
Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden.

Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.
Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.
Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.
Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.

Welke leerling geeft een juist voorbeeld?

Question

15
Bij enkele deelprocessen van de fotosynthese is onder meer ATP nodig.
Van welk proces of van welke processen is deze ATP vooral afkomstig?

Question

16
Vaak wordt het zuurstofverbruik van een dier bepaald om aan te geven hoeveel warmte en andere vormen van energie het dier door dissimilatie uit zijn voedsel vrijmaakt.
Het zuurstofverbruik geeft deze hoeveelheden niet juist weer gedurende de tijd waarin dit dier

Question

17
Iemand eet een droge, bruine boterham.
Gaan hierna door de maagportier polysacchariden?
En polypeptiden?

Question

18
Een bepaald eiwitverterend enzym dat door de alvleesklier wordt geproduceerd, komt in inactieve vorm in de twaalfvingerige darm.
Een activator daar stimuleert de omzetting van het enzym in actieve vorm.
Welk voordeel heeft afgifte in inactieve vorm van dit enzym?

Question

19
De bloeddruk in de slagaders van het lichaam van de mens varieert. Het diagram geeft het verloop van de bloeddruk in een armslagader weer.

       

De druk in deze slagader wordt gewoonlijk bij bloeddrukmetingen bepaald. Bij bloeddrukmeting wordt een band om de arm opgepompt. Als de druk in deze band groot genoeg is, dan wordt de slagader dichtgedrukt. Een manier om te constateren of er bloed door de armslagader gaat, is de polsslag te voelen.

Hoe zal bij een druk van 13 kPa in de band de polsslagfrequentie zijn?

Question

20
In een onderzoek werd bij een proefpersoon de hoeveelheid ververste longlucht bepaald bij een variërende pCO2 van de lucht in de longen.
Het onderzoek is uitgevoerd op zeeniveau en daarna herhaald op 5800 m hoogte. De resultaten zijn in het diagram weergegeven.

       

Wordt bij een lagere pO2 de gevoeligheid van het ademcentrum voor CO2 groter of kleiner?
Is bij een lagere pO2de invloed van de pCO2 op de hoeveelheid ververste longlucht groter of kleiner?

Question

21
De zuurstofopname van twee proefpersonen wordt onderzocht.
Persoon P haalt per minuut 30 keer adem: persoon Q 10 keer. Persoon P ademt per keer 200 ml lucht in en uit, persoon Q 600 ml. Bij beiden komt 150 ml van de per keer ingeademde lucht in de zogenaamde dode ruimte terecht; uit deze lucht wordt geen O2 in het bloed opgenomen.
De buitenlucht bevat 20% O2; de lucht die bij beide personen uit de longblaasjes komt bevat 16% O2.
Welk resultaat is bij de vergelijking van de zuurstofopname door de twee personen te verwachten?

Question

22
Over de functies van levercellen bij de mens worden de volgende uitspraken gedaan:

 I levercellen produceren ureum
II levercellen produceren galzouten
III levercellen produceren warmte
IV levercellen produceren essentiële aminozuren

Welke uitspraken zijn juist?

Question

23
De volgende gebeurtenissen kunnen in het lichaam van een mens plaatsvinden:
 I de frequentie van de hartslag wordt groter
II de doorsnede van de kleinste vertakkingen van de bronchiën wordt groter
III de afgifte van spijsverteringssappen neemt toe

Welke activiteiten worden gestimuleerd door het (ortho)sympathische zenuwstelsel?

Question

24
Vóór het geven van een bloedtransfusie is het van groot belang te weten, welke antistoffen er in het bloed van de ontvanger zitten.
De antistoffen in het bloed van een ontvanger met bloedgroep B worden aangetoond door de klontering die optreedt na het mengen van