Questionmark Perception
Oct 16 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Question

1
Sleep elk begrip naar de juiste plaats. 





Question

2
Vul achter elk cijfer het juiste begrip in. 





Question

3
Hoeveel bloed pompt het hart gemiddeld per dag weg?




Question

4
Welke route legt een rode bloedcel in de lichaamscirculatie af? (Begin in het linkerventrikel.)





Question

5
Welke route legt een rode bloedcel in de longcirculatie af? (Begin in het rechterventrikel.)





Question

6
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?
Lateraal van het hart liggen links en rechts de longen.
Dorsaal van het hart ligt de slokdarm.
Het hart ligt in het mediastinum.
De ventrale kant van het hart wordt grotendeels gevormd door het linkerventrikel.
De linkerlong heeft twee longkwabben en de rechterlong heeft er drie.
Het hart rust met de rechterventrikel op het diafragma.
De apex van het hart wijst naar rechts.




Question

7
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.





Question

8
Vul achter elk cijfer het juiste begrip in.





Question

9
Wat is het verschil tussen het septum interatriale cordis en het septum interventriculare cordis?




Question

10
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

11
Wat is de functie van de valvulae semilunares?






Question

12
Maak de zinnen compleet. Kies de juiste antwoorden.





Question

13
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?
Het hartzakje wordt ook wel epicard genoemd.
Het myocard is de dikste laag van de hartwand.
De sereuze holte rondom het hart heet pericardholte.
Het endocard bestaat uit meerlagig endotheel.
Het atriummyocard is dunner dan het ventrikelmyocard.
De sereuze holte rondom het hart wordt gevormd door het epicard en myocard.




Question

14
Wanneer men een katheter via een ader in de linkerarm opschuift tot in het hart, komt deze het eerst terecht in ... 





Question

15
Welke delen kom je van binnen naar buiten tegen bij transversale doorsnede van een linkerventrikel?




Question

16
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.





Question

17
Sleep elk begrip naar de juiste plaats. 





Question

18
Wat zijn de chordae tendineae?




Question

19
Maak de zinnen compleet. Kies de juiste antwoorden. 






Question

20
In welk opzicht lijkt hartspierweefsel op glad spierweefsel?




Question

21
Welke prikkelgeleidende weefsels komen achtereenvolgens in actie, resulterend in de ventrikelsystole?




Question

22
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

23
Wat is van toepassing op de passieve vullingsfase van het hart? Er zijn meer antwoorden mogelijk.





Question

24
Wat is van toepassing op de actieve vullingsfase van het hart? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.





Question

25
Wat is een functie van de anuli fibrosi van het hart?





Question

26
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist? 


In de ventrikelsystolische fase ontspannen de atria.
In de ventrikelsystolische fase is het sluiten van de hartkleppen als de tweede harttoon hoorbaar.
In de ventrikelsystoliosche fase sluiten de arteriële kleppen.
De ventrikelsystolische fase bestaat uit drie fasen.
In de ventrikelsystolische fase worden de chordinae tendinae maximaal gespannen.




Question

27

Kies de juiste antwoorden.

De
van het ECG weerspiegelt de elektrische activiteit van de sinusknoop.
De prikkelinvasie in het ventrikelmyocard wordt door het
van het ECG weergegeven.
De elektrische relaxatiefase van het ventrikelmyocard is te zien in de
van het ECG.
Het wegebben van de prikkeltoestand van het ventrikel wordt weergegeven door het
van het ECG.
De periode tussen de atrium- en ventrikelsystole zie je in het
van het ECG.




Question

28
Hoeveel liter bedraagt het gemiddelde hartminuutvolume in rust bij de standaardmens?





Question

29
Waar ligt de oorsprong van de arteriae coronariae?





Question

30
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.





Question

31
Sleep elk begrip naar de juiste plaats. 





Question

32
Wat is van toepassing op de sinus coronarius? Er zijn meer antwoorden mogelijk.




Question

33
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

34

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

35

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

36

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

37

Maak de zinnen compleet. Kies de juiste antwoorden.





Question

38

De wand van een bloedvat is in drie lagen opgebouwd. Welke lagen zijn dat, van binnen naar buiten?





Question

39

Maak de zinnen compleet. Kies de juiste antwoorden.





Question

40

Wat is van toepassing op de bouw en functie van venen? Er zijn meer antwoorden mogelijk.




Question

41

Welk type bloedvaten kunnen door vasoconstrictie of vasodilatie bepalen hoeveel bloed een weefsel krijgt?




Question

42

In welke vaten stroomt het bloed het langzaamst?




Question

43

Welke omstandigheden van het circulatiestelsel bepalen de hoogte van de arteriële bloeddruk? Er zijn meer antwoorden mogelijk.




Question

44

Hoe komt het dat de bloeddruk in de grote circulatie aanzienlijk hoger is dan in de kleine circulatie?




Question

45

Wat gebeurt er met de perifere weerstand als er vasoconstrictie in de arteriolen plaatsvindt?




Question

46

Welke van onderstaande omstandigheden leiden tot een verhoging van de bloeddruk? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

47
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?
Het vasomotorisch centrum ligt in het verlengde merg.
Het vasomotorisch centrum maakt deel uit van het vegetatieve zenuwstelsel.
Neurale regulatie van de bloeddruk vindt plaats via zenuwen van het animale zenuwstelsel.
Het hartregulatiecentrum ligt in de wand van de arcus aortae.
Het vasomotorisch centrum wordt teruggekoppeld door middel van sensorische informatie vanuit het hart.




Question

48

Kies het juiste antwoord.

Bloedcelfragmenten die een belangrijke rol spelen bij de bloedstolling, zijn de
De bloedcellen die zuurstof vervoeren, zijn de
Bloedcellen die buiten de bloedbaan kunnen treden, behoren tot de
Bloedcelfragmenten die kapot moeten gaan om hun werking goed te doen, zijn
De bloedcellen die zich met afweer van het lichaam bezighouden, zijn de
Het hematocriet zegt iets over het aantal
Hemoglobine bevindt zich vooral in de




Question

49

Kies de juiste antwoorden.

Leukocyten met veel korrels in het cytoplasma zijn
Zowel in het rode beenmerg als in lymfatisch weefsel vormen zich
Macrofagen noemt men ook wel
Het grootst van alle typen leukocyten zijn
De immuniteit van het lichaam wordt verzorgd door
Het opruimen van lichaamsvreemde bacteriën wordt gedaan door
Een C-vormige celkern vind je bij




Question

50

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

51

Hieronder staan gebeurtenissen die deel uitmaken van het bloedstollingproces. Zet de gebeurtenissen in chronologische volgorde. Begin bij de verwonding.





Question

52

Wat wordt bedoeld met hemostase?




Question

53

Wat is van toepassing op de elektrolyten in het bloed? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

54

Welke stoffen behoren tot de plasma-eiwitten?




Question

55

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.





Question

56
Wat kan de oorzaak zijn van vochtophoping (oedeem) in de weefsels?





Question

57

Wat is de belangrijkste functie van het circulatiestelsel?




Question

58

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.





Question

59

Wat is van toepassing op de lymfeknoop? Er zijn meer antwoorden mogelijk.




Question

60

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.





Question

61
Vul bij elk cijfer het juiste begrip in.





Question

62

Wat zijn de peyerplaques?




Question

63

Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

In de milt worden zowel het bloed als de lymfe gezuiverd.
In de milt worden thymocyten gevormd.
De v. lienalis mondt uit in de v. cava inferior.
In de milt worden lymfocyten gevormd.
In de milt worden erytrocyten gevormd.
In de milt worden erytrocyten afgebroken.
De milt ligt retroperitoneaal.
De milt is een bloedreservoir.




Question

64

Wat zijn de kenmerken van niet-specifieke immuniteit?




Question

65
Maak de zinnen compleet. Kies de juiste antwoorden.

vormen het grootste deel van de leukocyten. Ze ruimen door middel van fagocytose pathogenen op en gaan daarbij zelf dood.
zijn grote fagocyterende leukocyten. Ze ontwikkelen zich uit monocyten.
Parasitaire organismen, zoals wormen, worden vooral door
opgeruimd.
zijn de opruimers van abnormale lichaamseigen cellen, zoals tumorcellen.




Question

66

Welke verschijnselen horen bij een inflammatio?




Question

67

Wat is van toepassing op histamine? Er zijn meer antwoorden mogelijk.




Question

68

Wat zijn de vier karakteristieken van de werking van het immuunsysteem?




Question

69

Vul in: B-lymfocyten of T-lymfocyten.

zijn in staat immunoglobulinen te maken.
zorgen voor humorale immuniteit.
zijn in staat geïnfecteerde lichaamscellen te vernietigen.
zorgen voor de cellulaire immuniteit.
kunnen expanderen tot plasmacellen.
spelen een rol bij afstotingsverschijnselen na een weefsel- of orgaantransplantatie.




Question

70

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.





Question

71

Maak de zinnen compleet. Kies de juiste antwoorden.





Question

72
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

73

Waardoor zijn T-helpercellen zo belangrijk voor de goede werking van het immuunsysteem?




Question

74

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.





Question

75

Wat versta je onder passieve immunisatie?




Question

76

Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

Als je moeder bloedgroep A positief heeft, heb je zelf altijd antigeen-A en RhD-antistoffen in je bloed.
Iemand met bloedgroep 0 heeft geen antistoffen tegen bloedgroep A en bloedgroep B in zijn bloed.
Iemand met bloedgroep AB kan in noodgevallen zijn bloed aan iemand met bloedgroep 0 geven.
Iemand met bloedgroep AB heeft altijd A-antigeen en B-antigeen in zijn bloed.
Iemand met bloedgroep B kan in noodgevallen bloed van iemand met bloedgroep AB ontvangen.
Iemand met bloedgroep A heeft altijd antistoffen tegen bloedgroep B in zijn bloed.
Iemand met bloedgroep AB kan in noodgevallen bloed van iemand met bloedgroep 0 ontvangen.




Question

77
Vul aan. Als je resusnegatief bent ...