Questionmark Perception
Oct 20 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Question

1

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

2

Hieronder staan enkele delen van het ademhalingsstelsel. Zet ze in de goede volgorde. Begin bij de neus en eindig bij de longen.





Question

3

Welke schedelbeenderen maken deel uit van de bovenkant van de neusholte?





Question

4
Wat is de functie van het capillairnetwerk onder het epitheel van de neusholte?




Question

5
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

De neusbijholten zijn bekleed met slijmvlies.
Traanvocht draagt bij tot het vochtig houden van de alveoli.
De bekleding van de gehele neusholte bestaat uit reukepitheel.
Zowel bij mond- als bij neusademhaling wordt de lucht verwarmd.
De conchae zorgen voor oppervlaktevergroting.




Question

6

Met welk deel van het ademhalingsstelsel kun je klanken vormen, zodat je kunt praten?





Question

7

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

8

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

9

Door welk kraakbeen wordt de adamsappel gevormd?




Question

10

Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

Direct achter de trachea ligt de oesophagus.
Bij inademen sluit de epiglottis de larynx niet af en staat de oesophagus open.
De linkerlong heeft drie kwabben en de rechterlong heeft er twee.
De rechter hoofdbronchus loopt meer verticaal dan de linker.
Het trilhaarepitheel in de luchtwegen werkt slijm weg in de richting van de alveoli.
Bij uitademen sluit de epiglottis de larynx af en staat de oesophagus open.
Direct achter de trachea ligt de arcus aortae.




Question

11
Hoe heet de zenuw die het strottenhoofd innerveert?




Question

12
Wat is het voordeel van de hoefijzervorm van de kraakbeenringen van de trachea?




Question

13

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

14

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

15
Kies de juiste antwoorden.


De functioneel-anatomisch gescheiden longeenheden van een long noem je

Een bronchus heeft
in de wand en een bronchiolus niet.
De binnenbekleding van een bronchiolus bestaat uit

De binnenbekleding van de alveoli bestaat uit

De functionele eenheden van de longen zijn de




Question

16

In welk deel van de luchtwegen bevindt zich wel glad spierweefsel, maar geen kraakbeen in de wand?




Question

17

Welke epithelen zitten er tussen het lumen van de alveolus en het eraan grenzend bloedcapillair?




Question

18

Wat gebeurt er als er lucht tussen de pleura van een long komt?




Question

19

Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

Het longvlies bestaat uit de pleura visceralis en de pleura parietalis.
Het ademhalingsoppervlak van de alveoli kan bij inspanning tot maximaal 70 m2 oplopen.
Tussen de pleura bevindt zich lucht.
De pleura parietalis is onder andere vergroeid met het diafragma en het pericard.
De pleura visceralis is vergroeid met de borstwand.




Question

20

Door welke bloedvaten wordt het longweefsel zelf van zuurstof voorzien?




Question

21

Wat is van toepassing op de gaswisseling in de longen? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

22
Vul in: hoger of lager.

In ingeademde lucht is de PO2
dan de PCO2.
In bloed dat via de longaders naar het hart stroomt is de PO2
dan de PCO2.
In bloed dat door de aorta stroomt is de PO2
dan de PCO2.
In actieve weefsels is de PO2
dan de PCO2.
In alveolaire lucht is de PO2
dan de PCO2.
In uitgeademde lucht is de PO2
dan de PCO2.




Question

23

Wat gebeurt er bij inspiratie? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

24

Welke kracht is verantwoordelijk voor de luchtinstroom bij de inspiratie?




Question

25

Wat gebeurt er achtereenvolgens bij rustige expiratie? Begin bij de ontspanning van de ademhalingsspieren.





Question

26

Bij rustige expiratie wordt de luchtuitstroom voornamelijk veroorzaakt door ...




Question

27

Welke spieren worden aangespannen bij geforceerde expiratie?




Question

28
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

De belangrijkste prikkel voor het ademcentrum om de ademhaling te versnellen is de daling van de zuurstofspanning van het bloed.
Het ademcentrum wordt remmend teruggekoppeld zodra de PCO2 van het bloed te hoog wordt.
De prikkel van het hering-breuerreflex is de rekkingstoestand van de wand van de alveoli.
Zodra de pH van het bloed te laag wordt, versnelt de ademhaling.
Delen van het verlengde merg en de hersenstam hebben invloed op de regulatie van de ademhaling.
De chemosensoren in de aortaboog en de arteriae carotis communis zijn alleen gevoelig voor de pH.




Question

29
Welke van de hier genoemde acties gaan niet gepaard met onderbreking van het ademautomatisme? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

30
Vul in.

Kies uit: ademminuutvolume, ademvolume, expiratoir reservevolume, residuvolume of vitale capaciteit.

De hoeveelheid lucht die in één ademteug wordt ingeademd, wordt
genoemd.
De maximaal verplaatsbare hoeveelheid lucht per ademhaling heet
.
De hoeveelheid lucht die na maximale uitademing in de longen achterblijft, heet
.
De hoeveelheid lucht die na een gewone uitademing extra uitgeademd kan worden, heet
.
De hoeveelheid lucht die in één minuut wordt in- of uitgeademd, heet
.




Question

31

Hoe groot is de functionele residulongcapaciteit gemiddeld?




Question

32

Wat gebeurt er met het ademminuutvolume wanneer je diep en snel ademhaalt?




Question

33

Wat is van toepassing op de anatomische dode ruimte in de luchtwegen? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.