Questionmark Perception
Oct 22 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Question

1
De sommen worden gemaakt door de leerling. De leerling de sommen.

Question

2
Werkwoorden die alleen met een ander werkwoord in een zin kunnen voorkomen, zijn

Question

3
Je kunt altijd ‘aan’, ‘voor’ of ‘bij’ denken bij een voorwerp.

Question

4
Wat is een naamwoord?

Question

5
De ondergeschikte bijzin is gezegde in deze zin.
Wij blijven wie wij zijn.

Question

6
Wat is de hoofdzin?
Als je komt, haal ik iets lekkers in huis.

Question

7
Naomi, mijn hond, kwam gisteren erg vies thuis. Is het onderstreepte zinsdeel een bijvoeglijke bepaling?

Question

8
In plaats van ‘het lieve meisje’ kun je ook zeggen

Question

9
Ik ben net zo gespierd jij.

Question

10
Namen van beroepen hebben altijd als bepaald lidwoord.

Question

11
Is de volgende zin correct?
Een van de meisjes die daar loopt, is mijn buurmeisje.

Question

12
Welke zinsdelen zijn correcte meewerkende voorwerpen?

Question

13
Wat is de hoofdzin?
Toen zij thuiskwam, was het donker.

Question

14
Als je tegen apartheid bent, ben je apartheid.

Question

15
Welke zinsdelen zijn bijwoordelijke bepalingen?
Gisteren was Koen erg ziek.

Question

16
Wat is een voorzetsel?

Question

17
De volgende zin is actief.
De kinderen worden opgehaald.

Question

18
In plaats van ‘de oude vrouw’ kun je ook zeggen

Question

19
Wat is één zinsdeel?
Hij is zijn sleutels kwijt.

Question

20
Is een bijwoordelijke bepaling antwoord op de vraag ‘wie’?

Question

21
Welke woorden zijn samenstellingen?

Question

22
Welke woorden zijn voegwoorden?

Question

23
Wat is een werkwoord?

Question

24
Welke zinsdelen zijn correcte meewerkende voorwerpen?

Question

25
Wat is de normale woordvolgorde in een Nederlandse zin?

Question

26
Kun je zinsdelen herkennen door weglaten?

Question

27
Werkwoorden die alleen in een zin kunnen voorkomen en zelf betekenis hebben, zijn.

Question

28
Is de volgende zin correct?
Een van de leerlingen die daar staan, heeft ADHD.

Question

29
Je schrijft je teksten in één tijd, tegenwoordige tijd of verleden tijd.

Question

30
Zie jij zusje?

Question

31
‘Lijmen’ is een zelfstandig werkwoord.

Question

32
Welke woorden zijn samenstellingen?

Question

33
Is de volgende zin correct?
De vergadering was verzet.