Questionmark Perception
Oct 20 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Question

1

Op de arbeidsmarkt heeft men te maken met zowel conjuncturele als structurele ontwikkelingen.

In welk van de onderstaande gevallen is sprake van een conjuncturele ontwikkeling?

Question

2
Onder welk van onderstaande groepen werklozen is in het algemeen de uitstroomkans het grootst?


Question

3

Hoe groot was op basis van de tabel de netto-participatiegraad in 2014?

 

Question

4
In welk van de onderstaande gevallen is sprake van verborgen werkloosheid?


Question

5
Voor een gesloten economie (geen economische relaties met het buitenland) zonder overheidssector zijn de onderstaande gegevens bekend.
C = 0,75 Y + 5 (1)
I = 100      (2)
C + I = Y      (3)

Alle bovenstaande bedragen luiden in miljarden euro's. C staat voor de geplande consumptie van gezinnen. I staat voor de voorgenomen investeringen van bedrijven. Y staat voor het nationaal inkomen. Verder is nog bekend dat de gemiddelde arbeidsproductiviteit € 60.000 bedraagt en dat de beroepsbevolking 8 miljoen personen groot is.

Is er in deze economie onder- of overbesteding? En met welk bedrag zouden de voorgenomen investeringen moeten toe- of afnemen om de beschikbare productiecapaciteit juist volledig te benutten?

Question

6

Wanneer spreken we van structuurwerkloosheid in enge zin?

Question

7
Welke vorm van werkloosheid kan worden verklaard met behulp van het groeimodel volgens Harrod en Domar?


Question

8

Stel dat een land te kampen heeft met conjunctuurwerkloosheid.

Hoe zou de overheid van dat land die kwaal kunnen bestrijden?



Question

9
In welk van de onderstaande gevallen is sprake van een geschikt middel om frictiewerkloosheid te verminderen?


Question

10
Wat verstaat men onder de armoedeval?


Question

11
Bij het arbeidsmarktbeleid speelt het streven naar flexibilisering van de arbeidsmarkt de afgelopen jaren een rol, in Nederland, maar ook in de andere landen van de Europese Unie.
Wat maakt geen deel uit van dat streven?