Questionmark Perception
Oct 16 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Question

1
Hoe noem je de wetenschap die zich bezighoudt met onderzoek naar de bouw en functie van weefsels?




Question

2
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

Een weefsel is een groep eenvormige cellen (eventueel met tussencelstof) die met elkaar een gemeenschappelijke functie uitoefenen.
Binnen één individu zijn de chromosomen van een spiercel gelijk aan die van een bindweefselcel.
Een weefsel kan nooit meer dan één functie hebben.
De extracellulaire stoffen in een weefsel noem je tussencelstof.
Tot de hoofdgroepen van weefsels behoren dekweefsel, zenuwweefsel, klierweefsel en spierweefsel.




Question

3
Wat is kenmerkend voor epitheel?
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

4
Wat is de basaalmembraan?




Question

5
Tot welke weefselsoort behoort een trilhaarcel?




Question

6
Bekijk onderstaande afbeelding.


Vul achter elk cijfer het juiste begrip in.





Question

7
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

8
Kies de juiste antwoorden.

Kubisch epitheel is

Verhoornend plaveiselepitheel is

Trilhaarepitheel is

Cilindrisch epitheel is

Slijmvlies is




Question

9
In welke richting zwiepen de cilia in de luchtwegen slijm weg?




Question

10
Welke van de hieronder genoemde functies kunnen niet door epitheel uitgeoefend worden?
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

11
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

Zowel exocriene als endocriene klieren zijn ontstaan uit epitheliale structuren.
Alleen klieren die hun secreet aan het milieu exterieur afgeven zijn epitheliale structuren.
De binnenbekleding van het hart wordt endotheel genoemd.
De met lucht gevulde holten in het lichaam zijn bekleed met epitheel.
Plaveiselepitheel kan zowel eenlagig als meerlagig zijn.
Het epitheel van klierbuizen wordt ook wel plaatepitheel genoemd.




Question

12
Welke van de hier genoemde klieren is endocrien?




Question

13
Bekijk onderstaande afbeelding.


Vul achter elk cijfer het juiste begrip in.





Question

14
Welke functie(s) kan steunweefsel hebben? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

15
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

16
Maak de juiste keuze. Vul de zin aan. <br /> <br />




Question

17
Waardoor worden de eigenschappen van steunweefsel bepaald?




Question

18
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

Vetweefsel vind je wel in onderhuids bindweefsel en rondom de nieren, maar niet rondom de andere buikorganen.
In de wand van arteriën zit vooral elastisch bindweefsel.
In gewrichtsbanden zit voornamelijk elastisch bindweefsel.
Vetweefsel in de handpalmen dient uitsluitend als warmte-isolator.
Een pees is voornamelijk opgebouwd uit collagene vezels en daardoor niet rekbaar.




Question

19
Hoe komt het dat bij iemand die uitgehongerd is, de oogbollen dieper in de oogkas liggen ('holle ogen' krijgt)?




Question

20
Hieronder zie je drie soorten bindweefsel.
Kies het juiste antwoord.


afbeelding 1

afbeelding 2

afbeelding 3





Question

21
Kies uit elastisch kraakbeen, hyalien kraakbeen of vezelig kraakbeen.





Question

22
Hoe komt het dat kraakbeen na beschadiging relatief langzaam herstelt?




Question

23
Bekijk onderstaande afbeelding.


Vul achter elk cijfer het juiste begrip in.





Question

24
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

25
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

Botweefsel is een opslagplaats van calcium.
De koppen van pijpbeenderen bestaan alleen uit substantia compacta.
In de substantia compacta zit rood beenmerg.
In de haverskanalen bevinden zich bloed- en lymfevaten.
De kalkzouten in de intercellulaire ruimten tussen de botcellen zorgen zowel voor de stevigheid als voor de flexibiliteit van het botweefsel.
De matrix van bot bestaat alleen uit kalkzouten en collagene vezels.
Alleen substantia compacta is uit osteonen opgebouwd, substantia spongiosa niet.




Question

26
Waarom wordt bloed tot de steunweefsel gerekend?




Question

27
Wat is van toepassing op bloed?
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

28
Bekijk onderstaande afbeelding.


Vul achter elk cijfer het juiste begrip in.





Question

29
Kies het juiste antwoord. <br /> <br />
De kringspieren rond het oog bestaan uit
Spieren met een prikkelautomaat bestaan uit
In de biceps bevindt zich
In de longblaasjes bevindt zich
Spierweefsel dat snel contraheert, maar ook snel moe is, noem je
Onwillekeurige spieren zijn opgebouwd uit
Intercalaire schijven vind je in
De kringspieren in de wand van het darmkanaal bestaan uit




Question

30
Wat zijn myofibrillen?




Question

31
Bekijk onderstaande afbeelding.


Vul achter elk cijfer het juiste begrip in.





Question

32
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?
De impulsrichting in de axon is van het zenuwcellichaam af.
Een zenuwcel heeft meerdere dendrieten, maar slechts één axon.
Gliacellen zijn gespecialiseerde neuronen.
De dendrieten van zenuwcellen zijn omgeven door een myelineschede.
De myelineschede rond een axon wordt door het neuron zelf gevormd.




Question

33
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.