Questionmark Perception
Oct 20 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Question

1

Men onderscheidt drie functies van de overheid:
- de stabilisatiefunctie;
- de verdelingsfunctie en
- de allocatiefunctie.

Bij welke van de genoemde functies is de grootste rol weggelegd voor de decentrale overheden?


Question

2

Wat verstaat men onder het subsidiariteitsbeginsel?

Question

3
Gegeven zijn de twee onderstaande uitspraken over de uitgaven van de decentrale overheden.



A.  De kapitaaluitgaven van de lagere overheden moeten worden gedekt uit de lopende middelen en de van het Rijk ontvangen inkomensoverdrachten.
B.  Wanneer een gemeente kapitaaluitgaven dekt ten laste van de lopende middelen, neemt het vermogen van die gemeente af.

Zijn deze uitspraken juist of onjuist?

Question

4
Waaruit bestaan de eigen middelen van de gemeenten onder meer?


Question

5

Wat is de belangrijkste ontvangstenbron van de gemeenten?



Question

6
Een gemeente wordt geconfronteerd met tegenvallende uitgaven voor bestrating. Burgemeester en Wethouders overwegen een tariefsverhoging om deze gestegen kosten te financieren.
Welk tarief komt hiervoor zeker niet in aanmerking?



Question

7
Gemeenten zijn voor een groot deel afhankelijk van uitkeringen van de Rijksoverheid voor de financiering van hun uitgaven. Is die afhankelijkheid in de afgelopen 25 jaar afgenomen, toegenomen of ongeveer gelijk gebleven?


Question

8
Bij welk type middelen hebben gemeenten de minste beleidsvrijheid?

Question

9
De gemeente wordt geconfronteerd met een groeiend exploitatietekort van de plaatselijke sporthal. Verschillende mogelijkheden passeren de revue bij Burgemeester en Wethouders om iets te doen aan dit tekort.
Aan welk van de onderstaande maatregelen zou de Rijksoverheid in dit geval waarschijnlijk de voorkeur geven?