Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Introduction

Maak de sommen.


Question

1
Jesse koopt een fiets met 25% korting. De fiets kost nu €660. Wat kostte de fiets eerst?

Question

2
Bob schaatst een rondje in 36,2 seconden. Gretha schaatst een rondje in 39,1 seconden. Bob is , seconden sneller.

Question

3
100 x 3,9 = ,

Question

4
Van €80 voor €60 is % korting.

Question

5
Van €60 voor €48 is % korting.

Question

6
Het is nu 06.17 uur. Drie kwartier later is het . uur.

Question

7
Het is nu 9.55 uur. Drie kwartier later is het . uur.

Question

8
Liliane koopt een pak klei met 25% korting. Ze betaalt nu €9. Wat kostte de klei eerst?

Question

9
Minke schaatst een rondje in 37,9 seconden. Mart schaatst een rondje in 41,2 seconden. Mart is , seconden langzamer.

Question

10
41,1 ligt het dichtst bij