Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Question

1

Hoe groot is het resorptieoppervlak van de dunne darm?




Question

2

Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

De eiwitvertering begint in de maag.
De dunne darm bestaat uit het duodenum, jejunum en rectum.
Enterokinase stimuleert de vetvertering in de dunne darm.
De vertering van dipeptiden vindt plaats in de maag.
De vertering van disachariden vindt plaats in de dunne darm.
De vetvertering begint in de mond.




Question

3
Wat is meconium?




Question

4
Wat kan de oorzaak zijn van vochtophoping (oedeem) in de weefsels?





Question

5

Op welke manier wordt de insulineproductie teruggekoppeld?




Question

6
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

7
Wat gebeurt er bij osmose?




Question

8

Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

De cellen die calcitonine maken, worden C-cellen genoemd.
Calcitonine verhoogt het calciumgehalte van de botten.
Vitamine D is noodzakelijk voor de goede werking van het parathormoon.
Het parathormoon en calcitonine zijn elkaars antagonisten.
Calcitonine wordt in de bijschildklieren gevormd.
Calcitonine remt calciumuitscheiding door de nieren.




Question

9
Hoe noem je het vaatsysteem dat gevormd wordt door het vas afferens, de glomerulus en het vas efferens?





Question

10
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

De prikkel van het hering-breuerreflex is de rekkingstoestand van de wand van de alveoli.
Zodra de pH van het bloed te laag wordt, versnelt de ademhaling.
Delen van het verlengde merg en de hersenstam hebben invloed op de regulatie van de ademhaling.
De belangrijkste prikkel voor het ademcentrum om de ademhaling te versnellen is de daling van de zuurstofspanning van het bloed.
Het ademcentrum wordt remmend teruggekoppeld zodra de PCO2 van het bloed te hoog wordt.
De chemosensoren in de aortaboog en de arteriae carotis communis zijn alleen gevoelig voor de pH.