Question
1
Wat is van toepassing op het hormonale stelsel en de functie daarvan? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.
Het hormonale stelsel werkt samen met het zenuwstelsel.
In totaal komen in het menselijk lichaam zo'n vijftig verschillende hormonen voor.
Het hormonale stelsel reguleert de werking van alle orgaanstelsels in het lichaam.
De meeste hormoonklieren worden in hun werking beïnvloed volgens het mechanisme van de positieve terugkoppeling.
Hormoonklieren zijn endocriene klieren.
Hormoonafgifte door hormoonklieren gebeurt door middel van externe secretie.
Question
2
Wat zijn neurosecretoire cellen?
Dat zijn zenuwcellen die als doelwitcellen voor bepaalde hormonen dienen.
Dat zijn gespecialiseerde endocriene cellen die alleen invloed hebben op het zenuwstelsel.
Dat zijn hersencellen die gevoelig zijn voor hormonen uit de hypofyse.
Dat zijn gespecialiseerde zenuwcellen met een endocriene functie.
Question
3
Vul in:
peptide
of
steroïd.
hormonen zijn vetachtige stoffen.
Geslachtshormonen zijn voorbeelden van
hormonen.
hormonen bestaan uit eiwitten.
De chemische structuur van
hormonen is verwant aan cholesterol.
hormonen binden aan membraanreceptoren van de doelwitcellen.
hormonen vormen in het cytoplasma hormoon-receptorcomplexen.
Voorbeelden van
hormonen zijn insuline en het groeihormoon.
Question
4
Door welk proces wordt het concentratieniveau van de meeste hormonen in het bloed gehandhaafd?
door de stofwisseling in de doelwitcellen
door positieve terugkoppeling
door de afbraak van hormonen in de lever
door negatieve terugkoppeling
Question
5
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.
Question
6
<BR>Kies de juiste antwoorden. <BR><BR>
ADH wordt geproduceerd door de
neurohypofyse
adenohypofyse
TSH wordt geproduceerd door de
neurohypofyse
adenohypofyse
FSH wordt geproduceerd door de
neurohypofyse
adenohypofyse
ACTH wordt geproduceerd door de
neurohypofyse
adenohypofyse
Oxytocine wordt geproduceerd door de
neurohypofyse
adenohypofyse
Question
7
Wat is de rol van de hypothalamus bij de afgifte van ADH?
De hypothalamus remt of stimuleert de adenohypofyse in de afgifte van ADH.
De hypothalamus remt of stimuleert de neurohypofyse in de afgifte van ADH.
De hypothalamus geeft
releasing
hormonen af, waarna de adenohypofyse ADH afgeeft.
De hypothalamus geeft
releasing
hormonen af, waarna de neurohypofyse ADH afgeeft.
Question
8
Kiest het juiste antwoord. <BR><BR>
Het FSH is een
glandotroop hormoon
effecthormoon
Insuline is een
glandotroop hormoon
effecthormoon
Het TSH is een
glandotroop hormoon
effecthormoon
Het ACTH is een
glandotroop hormoon
effecthormoon
Het ICSH is een
glandotroop hormoon
effecthormoon
Prolactine is een
glandotroop hormoon
effecthormoon
Het groeihormoon is een
glandotroop hormoon
effecthormoon
Question
9
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.
Question
10
Wat zijn gonadotrope hormonen?
Dat zijn hormonen die door gonaden worden geproduceerd.
Dat zijn hormonen die invloed hebben op de afgifte van FSH, LH en ICSH.
Dat zijn hormonen die een stimulerende werking hebben op de werking van gonaden.
Dat zijn hormonen die een remmende invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken.
Question
11
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?
Oxytocine stimuleert de contractie van gladde spieren in de melkklieren in de borsten.
juist
onjuist
Als je lange tijd niet gedronken hebt wordt stimuleert de hypothalamus de neurohypofyse tot de afgifte van minder ADH.
juist
onjuist
Na het eten van veel zout reageert de adenohypofyse door meer ADH af te geven.
juist
onjuist
Oxytocine wordt via de hypothalamus door de adenohypofyse afgegeven.
juist
onjuist
Na het eten van veel zout reageert de neurohypofyse door meer ADH af te geven.
juist
onjuist
Question
12
Hoe heten de neurosecretoire cellen van de epifyse cerebri en welk hormoon maken ze?
Deze cellen heten melanocyten; ze produceren melatonine.
Deze cellen heten pinealocyten; ze produceren
releasing
en
inhibiting
hormonen.
Deze cellen heten melanocyten; ze produceren
releasing
en
inhibiting
hormonen.
Deze cellen heten pinealocyten; ze produceren melatonine.
Question
13
Wat is van toepassing op melatonine? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.
Melatonine wordt door de neurohypofyse geproduceerd.
Melatonine wordt door de epifyse cerebri geproduceerd.
Melatonine wordt vooral overdag geproduceerd.
Melatonineproductie neemt toe onder invloed van daglicht.
Melatonine maakt slaperig.
Licht remt de aanmaak van melatonine.
Gedurende de nacht is de concentratie melatonine het hoogst.
Overdag kan de melatonineproductie 10 tot 15 keer hoger zijn dan 's nachts.
Question
14
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.
Question
15
Wat gebeurt er als de hypofyse door de concentratie thyroxine in het bloed negatief teruggekoppeld wordt?
Dan neemt als eerste de celstofwisseling in intensiteit toe.
Dan neemt als eerste de hoeveelheid TSH af.
Dan neemt als eerste de hoeveelheid TSH toe.
Dan neemt als eerste de hoeveelheid thyroxine toe.
Question
16
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?
Vitamine D is noodzakelijk voor de goede werking van het parathormoon.
juist
onjuist
Het parathormoon en calcitonine zijn elkaars antagonisten.
juist
onjuist
De cellen die calcitonine maken, worden C-cellen genoemd.
juist
onjuist
Calcitonine verhoogt het calciumgehalte van de botten.
juist
onjuist
Calcitonine wordt in de bijschildklieren gevormd.
juist
onjuist
Calcitonine remt calciumuitscheiding door de nieren.
juist
onjuist
Question
17
Kies het juiste antwoord.
De calciumresorptie in de dunne darm wordt gestimuleerd door
calcitonine
parathormoon
De vrijmaking van calcium uit de botten wordt gestimuleerd door
calcitonine
parathormoon
De calciumuitscheiding in de nieren wordt gestimuleerd door
calcitonine
parathormoon
Vitamine D is nodig bij de werking van
calcitonine
parathormoon
De calciumopname door de botten wordt gestimuleerd door
calcitonine
parathormoon
De calciumresorptie in de dunne darm wordt geremd door
calcitonine
parathormoon
De calciumuitscheiding in de nieren wordt geremd door
calcitonine
parathormoon
Question
18
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?
Als de bloedsuikerwaarde te laag is, neemt de glucagonproductie toe.
juist
onjuist
Glycogeenopslag vindt voornamelijk in de lever plaats.
juist
onjuist
Bij toename van het glucagongehalte daalt de glucoseconcentratie in het bloed.
juist
onjuist
Glycogeen wordt onder invloed van insuline afgebroken.
juist
onjuist
Insuline stimuleert de vorming van glycogeen.
juist
onjuist
Insuline bevordert de glucoseopname in de cellen.
juist
onjuist
Question
19
Tussen welke normaalwaarden schommelt de glucoseconcentratie van het bloed gedurende een etmaal?
tussen de 160 en de 200 mg/ml
tussen de 0 en de 60 mg/ml
tussen de 30 en de 100 mg/ml
tussen de 60 en de 160 mg/ml
Question
20
Op welke manier wordt de insulineproductie teruggekoppeld?
Hoge bloedsuikerwaarden remmen de insulineproductie.
Lage bloedsuikerwaarden hebben geen invloed op de insulineproductie.
Hoge bloedsuikerwaarden stimuleren de insulineproductie.
Lage bloedsuikerwaarden stimuleren de insulineproductie.
Question
21
Kies het juiste antwoord.
Het sympathische deel van het vegetatieve zenuwstelsel zorgt voor de aansturing van
het bijniermerg
de bijnierschors
Adrenaline is een hormoon van
het bijniermerg
de bijnierschors
Mineralocorticoïden worden geproduceerd door
het bijniermerg
de bijnierschors
De adenohypofyse zorgt door middel van ACTH voor de aansturing van
het bijniermerg
de bijnierschors
Cortisol wordt gemaakt door
het bijniermerg
de bijnierschors
Geslachtshormonen worden geproduceerd door
het bijniermerg
de bijnierschors
Neurosecretoire cellen bevinden zich in
het bijniermerg
de bijnierschors
Question
22
Welke stoffen in het bloed beïnvloeden de aldosteronproductie door de bijnierschors?
ADH en renine
ADH en angiotensine
ACTH en renine
ACTH en angiotensine
Question
23
Op welke manier beïnvloedt aldosteron de mineralenhuishouding van het bloedplasma?
Zowel de natrium- als de kaliumconcentratie van het bloedplasma nemen af.
De natriumconcentratie van het bloedplasma neemt toe en de kaliumconcentratie neemt af.
Zowel de natrium- als de kaliumconcentratie van het bloedplasma nemen toe.
De natriumconcentratie van het bloedplasma neemt af en de kaliumconcentratie neemt toe.
Question
24
Hoe hebben de hormonen ADH en aldosteron invloed op de bloeddruk?
Beide hormonen veroorzaken bloeddrukverlaging.
Beide hormonen veroorzaken bloeddrukverhoging.
ADH veroorzaakt bloeddrukverlaging en aldosteron bloeddrukverhoging.
ADH veroorzaakt bloeddrukverhoging en aldosteron bloeddrukverlaging.
Question
25
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?
Onder invloed van stress wordt door het bijniermerg meer hydrocortison afgegeven.
juist
onjuist
Hydrocortison stimuleert de vorming van antistoffen.
juist
onjuist
Hydrocortison koppelt de ACTH-aanmaak positief terug.
juist
onjuist
Hydrocortison is een antagonist van insuline.
juist
onjuist
Hydrocortison werkt remmend op ontstekingsverschijnselen.
juist
onjuist
Hydrocortison verhoogt de glucoseconcentratie van het bloed.
juist
onjuist
Question
26
Sleep elk begrip naar de juiste plaats.
Question
27
Wat is van toepassing op de werking van adrenaline? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.
Adrenaline stimuleert de omzetting van glucose in glycogeen.
Adrenaline heeft dezelfde werking als het sympathisch deel van het vegetatieve zenuwstelsel.
Adrenaline is een antagonist van glucagon.
Adrenaline bevordert vasoconstrictie in de arteriolen van de spijsverteringsorganen.
Adrenaline is een antagonist van insuline, maar heeft op de bloedsuikerspiegel hetzelfde effect als cortisol.
Adrenaline bevordert vasodilatatie in de arteriolen van de huid.
Adrenaline veroorzaakt bloeddrukverhoging.
Adrenaline bevordert vasodilatatie in de skeletspieren.
Adrenaline veroorzaakt verhoging van de bloedsuikerspiegel.
Question
28
Welke van de hier genoemde hormonen worden tot de weefselhormonen gerekend? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.
insuline
prostaglandines
angiotensine
renine
erytropoëtine
histamine
cholecystokinine
gastrine
secretine
Questionmark OnDemand licensed to ThiemeMeulenhoff BV