Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Introduction

Maak de sommen.


Question

1
Martijn koopt een trui met 10% korting. De trui kost nu €90. Wat kostte de trui eerst?

Question

2
Trix koopt een boek met 10% korting. Ze betaalt nu €13,05. Wat kostte het boek eerst?

Question

3
Berry koopt een CD met 40% korting. Hij betaalt nu €12. Wat kostte de CD eerst?

Question

4
Van €50 voor €30 is % korting.

Question

5
Van €40 voor €20 is % korting.

Question

6
Katja koopt rollerskates met 15% korting. Ze betaalt nu €29,75. Wat kostten de rollerskates eerst?

Question

7
Van €2 voor €1,20 is % korting.

Question

8
Van €35 voor €31,50 is % korting.

Question

9
Van €60 voor €48 is % korting.

Question

10
Ymke koopt een T-shirt met 10% korting. Ze betaalt nu €16,65. Wat kostte het T-shirt eerst?