Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Introduction

Maak de sommen.


Question

1
Marieke gaat altijd op de fiets naar school. Ze gaat ook tussen de middag naar huis. Ze fietst 8,48 kilometer per dag.
Joran gaat altijd op de fiets naar school, hij gaat niet tussen de middag naar huis. Hij fietst 4,25 kilometer per dag.
Wie woont het verst van school?

Question

2
Lisa wil nieuwe vloerbedekking in de slaapkamer. De kamer is 3,20 m breed en 3,50 m lang. De vloerbedekking kost € 40 per vierkante meter. Wat is waar?

Question

3
Je wilt weten hoeveel laminaat je nodig hebt om in de slaapkamer te leggen. Wat moet je uitrekenen?

Question

4
Hakim zegt: ik loop 1 kilometer in 1000 seconden.
Martijn zegt: een volwassene is per dag ongeveer 1000 minuten wakker.
Charles zegt: 1000 uur is ongeveer 2 weken.
Wat is waar?

Question

5
Een kwart van alle kinderen in de klas heeft een hond. Een derde heeft een kat. Een derde heeft een ander huisdier. Niemand heeft twee of meer huisdieren.
2 kinderen hebben geen huisdier.
Er zitten
kinderen in de klas.

Question

6
Nederlandse vrouwen krijgen gemiddeld 1,75 kind.
De volleybalvereniging heeft 30 vrouwen als lid. Hoeveel kinderen hebben zij samen gemiddeld?

Question

7
Paula koopt 8,5 m stof voor 3 carnavalspakken. De stof kost € 6,50 per meter. Wat kost 1 pak aan stof?

Question

8
3 T-shirts en 2 petten kosten samen € 52.
2 T-shirts en 3 petten kosten samen € 48.
1 T-shirt en 1 pet kosten samen €
.

Question

9
We hebben een nieuwe auto. Tijdens een proefrit hebbben we 12 liter benzine gebruikt om 174 kilometer te rijden. Er zit nog 7 liter benzine in de tank. Hoeveel kilometer kunnen we nog rijden?

Question

10
Voor een feestje hebben we 24 flessen cola van anderhalve liter nodig. Wim koopt per ongeluk 24 flessen van een liter. Hoeveel flessen van anderhalve liter moeten we nog kopen?