Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Introduction

Maak de sommen.


Question

1
Een kwart van alle kinderen in de klas heeft een hond. Een derde heeft een kat. Een derde heeft een ander huisdier. Niemand heeft twee of meer huisdieren.
2 kinderen hebben geen huisdier.
Er zitten
kinderen in de klas.

Question

2
Josien spaart € 1,50 per week. Ze wil een computerspelletje kopen van € 78. Hoe lang moet ze sparen?

Question

3
Lisa wil nieuwe vloerbedekking in de slaapkamer. De kamer is 3,20 m breed en 3,50 m lang. De vloerbedekking kost € 40 per vierkante meter. Wat is waar?

Question

4
Max heeft 2 keer zoveel knikkers als Emin. Emin heeft 2 keer zoveel knikkers als Myrthe. Myrthe heeft 2 keer zoveel knikkers als Frans. Frans heeft 2 keer zoveel knikkers als Jikke.
Myrthe heeft 24 knikkers. Hoeveel knikkers hebben ze met z'n allen samen?

Question

5
Andrea schaatst 500 meter in 40 seconden. Dat is , m per seconde.

Question

6
Voor een feestje hebben we 24 flessen cola van anderhalve liter nodig. Wim koopt per ongeluk 24 flessen van een liter. Hoeveel flessen van anderhalve liter moeten we nog kopen?

Question

7
Maxim verkoopt oliebollen voor een goed doel. 25% van de opbrengst is voor het goede doel, de rest van het bedrag is voor onkosten. Hij verkoopt 71 oliebollen van € 0,50 per stuk. Hoeveel gaat er naar het goede doel?

Question

8
Jasper is 1,63 m lang.
Jorrit is 1,57 m lang.
Marijke is
, m lang.
Zij zijn gemiddeld 1,57 m lang.

Question

9
Een grote kaas weegt 9,5 kg. Hoeveel stukken van 250 g kan je uit deze kaas snijden?

Question

10
Wat is waar?