Questionmark Perception
Dec 11 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Introduction


Quickscan VMBO GT economie

Question

1

Welke van onderstaande uitspraken is juist?

1. Spijkerbroeken in Nederland zijn economisch gezien schaarse goederen.
2. Als je een spijkerbroek koopt, is er sprake van indirecte ruil.

Question

2

De heer Sterk heeft een groente- en fruitwinkel. Hij wil zich onderscheiden van de supermarkt. Hij gaat zich richten op de volgende punten: deskundig advies, persoonlijke service, kwaliteit en een ruim assortiment.
Op welke p van de marketing gaat hij zich dan richten?

Question

3
Ralf-Jan wil een nieuwe fiets kopen. Hij heeft na lang aarzelen een Batavus Allegro gekocht. Bij de rijwielhandelaar kostte deze fiets 649 euro. In een vergelijkend warenonderzoek van de consumentenbond kostte deze fiets 749 euro.
Hoeveel procent betaalt Ralf-Jan minder in vergelijking met de prijs uit de test?

Question

4
Geld wordt gebruikt als ruilmiddel, rekenmiddel en spaarmiddel. In welk van onderstaande situatie wordt geld gebruikt als rekenmiddel?
1. Het NIBUD beweert dat een digitale camera van goede kwaliteit ongeveer € 250,- kost.
2. Maria betaalt een nieuwe jas met haar pinpas.
3. Achmed legt geld opzij om een scooter te kunnen kopen.

Question

5
Wat is budgetteren? Budgetteren is:

Question

6
De vader van Hamza heeft een persoonlijke lening afgesloten om de zolderkamer van Hamza helemaal te verbouwen.
Tot welk soort uitgaven behoren de uitgaven voor de verbouwing? En tot welk soort uitgaven behoren de termijnbedragen voor de lening?

De uitgaven voor verbouwing:

De termijnbedragen voor de lening:

Question

7

Welke van onderstaande uitspraken is juist?

1.  Als de prijzen dalen, gaan consumenten direct meer kopen.
2.  De nominale rente op een spaarbedrag geeft meer informatie over jouw koopkracht dan  de reële rente.

Question

8
Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1 De personele inkomensverdeling in een land kun je weergeven met behulp van een Lorenzcurve.
2. Een land met een ongelijke inkomensverdeling is minder welvarend dan een land met een gelijke inkomensverdeling.

Question

9
Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1. Bij oververzekering krijg je meer geld uitbetaald dan de werkelijke schade aan je inboedel.
2. De aanvullende zorgverzekering is een voorbeeld van een vrijwillige verzekering.

Question

10
Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1. De omzet is de verkoop in eenheden maal de verkoopprijs, inclusief BTW.
2. Door van de omzet alle bedrijfskosten af te trekken vind je de brutowinst.

Question

11
Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1. Albert Heijn kan de nettowinst verhogen door werknemers minder loon uit te betalen.
2. Rond moederdag zijn de bloemen duurder dan normaal, omdat het aanbod dan afneemt, terwijl de vraag nog meer afneemt.

Question

12
Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1. Bij een NV zijn de bestuurders en directie niet met hun privévermogen aansprakelijk voor de schulden van de NV.
2. Bij een  vennootschap onder firma (vof) betaalt elke vennoot inkomstenbelasting over zijn eigen deel van de winst.

Question

13
Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1. Concurrentie tussen individuele bedrijven is het kenmerk van een vrijemarkteconomie.
2. Er is in Nederland geen toezicht op het sluiten van kartels.

Question

14
Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1. Een oorzaak van de stijging van de arbeidsproductiviteit per uur is de verlenging van de werkweek.
2. Automatisering kan leiden tot een hogere arbeidsproductiviteit en dus tot een hogere verkoopprijs.

Question

15
In de economieles wordt uitgelegd dat meer productie kan leiden tot meer consumptie.
Hieronder staan enkele stappen.
1. minder aanbod van producten
2. meer aanbod van producten
3. lagere prijzen
4. hogere prijzen

In welk antwoord staan de stappen in een zodanige volgorde, dat een logische
gedachtegang ontstaat?

Question

16
Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1.  Door een verhoging van de minimumjeugdlonen zou het aanbod van jongeren op de arbeidsmarkt kunnen dalen.
2. De werkgelegenheid in arbeidsjaren is altijd groter dan de werkgelegenheid in personen.

Question

17
In welke van de onderstaande situaties is sprake van conjuncturele werkloosheid?

Question

18
Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1. Loonmatiging kan tot een daling van de structurele werkloosheid leiden.
2. Een stijging van de arbeidsproductiviteit kan tot een verbetering van onze concurrentiepositie leiden.

Question

19
Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1. Een hoge koers van de euro maakt de import van grondstoffen uit landen buiten de Europese Monetaire Unie goedkoper.
2. Een hoge koers van de euro kan leiden tot daling van de werkgelegenheid in Nederland.

Question

20
De Verenigde Staten heffen hoge invoerrechten op staal.
Welk gevolg heeft deze maatregel voor de staalproductie in Europa?
De productie van staal in Europa wordt ...

Question

21
Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1. Vrijhandel zorgt voor meer internationale handel
2. Ontwikkelingslanden hebben op den duur meer voordeel van financiële steun dan van handel.

Question

22
Koffie is een belangrijk exportproduct van Oeganda. De lage exportprijzen voor koffie hebben gevolgen voor de ruilvoet van Oeganda. Stel dat de exportprijs van koffie uit Oeganda daalt en de importprijzen voor Oeganda niet veranderen. Wat zal er dan gebeuren met de ruilvoet van Oeganda?

Question

23
Er is een verschil tussen bedrijven in de particuliere sector en bedrijven in de collectieve sector. Welke beschrijving is juist?

Question

24
Als Esrah een hypothecaire lening afsluit, heeft dat gevolgen voor haar belastbaar inkomen.
Op welke manier beïnvloedt de hypotheekrente het belastbaar inkomen van Esrah?

Question

25
De Algemene heffingskorting is een vast bedrag per persoon. Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1. Omdat iedereen evenveel korting krijgt, blijven de inkomensverhoudingen gelijk.
2. De lage inkomen profiteren naar verhouding méér van de algemene heffingskorting dan de hoge inkomens.

Question

26

Om de staatschuld van de overheid te verlagen vinden sommige politieke partijen dat een begrotingsoverschot gebruikt moet worden om de loon- en inkomstenbelasting te verlagen.
Zij verwachten dat daardoor in de toekomst de staatsschuld verlaagd kan worden.
Hieronder staan drie tussenstappen:
1. Meer winst bij bedrijven.
2. Bedrijven betalen meer belasting.
3. Meer bestedingen door consumenten.

Welke redenering geeft  de gedachtegang van deze politieke partijen het beste weer?

Question

27

Lage inflatie kan leiden tot deflatie. Dat wil zeggen dat de kosten van levensonderhoud zijn gedaald. Voor de consument klinkt dat gunstig. Echter economen vrezen dat de economische groei door deflatie lager wordt.”
Hieronder staan drie economische verschijnselen.
1 Consumenten stellen aankopen uit.
2 Consumenten verwachten een verdere daling van de prijzen.
3 De productie daalt.

In welke regel staan deze verschijnselen zó dat een economisch logische gedachtegang ontstaat?

Question

28

Nestor heeft een app ontwikkeld en hij wil een zo hoog mogelijk omzet. Hij wil de app voor de prijs van € 0,50 op de markt brengen. Zijn vriendin Emmie zegt dat hij veel lager met zijn prijs moet gaan zitten voor een hogere omzet bijvoorbeeld € 0,25. Zijn vriend Sem zegt dat hij juist een hogere prijs moet vragen voor een grotere omzet bijvoorbeeld  € 0,75.
Bekijk de  onderstaande grafiek.
Wie heeft gelijk?

Question

29

Gebruik onderstaande tabel

Vermogen is de waarde van de bezittingen bijvoorbeeld (huis en spaargeld en aandelen) verminderd met de schulden

Groep 1 is de armste 10% van de bevolking
Groep 10 is de rijkste 10% van de bevolking

Welke conclusie is juist over de vermogensverdeling in Nederland?

Question

30
Welke van onderstaande uitspraken is juist?
1. In Nederland is sprake van een 100% vrijemarkteconomie.
2  Heterogene goederen zijn goederen die in de ogen van de consument op gelijke wijze in een behoefte voorzien.