Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Question

1
Hier staan de organisatieniveaus die je binnen de functionele anatomie kunt onderscheiden. Zet ze in de goede volgorde; begin bij de kleinste functionele eenheid en eindig bij het meest complexe organisatieniveau.




Question

2
Wat zijn intraperitoneale organen?




Question

3
Uit welk type epitheel bestaat het grootste deel van de mucosa van het spijsverteringskanaal?




Question

4
Welke van de genoemde stelsels zijn vegetatieve orgaanstelsels?





Question

5
Uit welke structuren bestaat de thorax?





Question

6
Bekijk de afbeelding. Vul achter elk cijfer het juiste begrip in.





Question

7
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

De nieren, darmen, lever en urinewegen liggen in de buikholte.
Bij de vrouw liggen de geslachtsorganen in de bekkenholte.
De schedelholte omvat het hele centrale zenuwstelsel.
Het wervelkanaal omvat de zenuwen van het perifere zenuwstelsel.
Het hart en de longen liggen in de borstholte.
De ruimte tussen de longen heet het diafragma.




Question

8

Sleep elk begrip naar de juiste plaats.




Question

9
Sleep de juiste letter naar de juiste plaats. 


a opname van voedingsstoffen vanuit het uitwendige milieu (m.i.)
b inademing / uitademing
c ontlasting
d hart
e zuivering van het bloed
f longen
g opname van zuurstof in het bloed/ afgifte van koolstofdioxide aan de longen
h nier
i uitwisseling tussen bloed en inwendige milieu (m.i.) van de weefselcellen
j overdracht van voedingsstoffen aan het bloed




Question

10
Welke organen liggen in het mediastinum?