Questionmark Perception
Help
Change contrast
Change font size

Question

1
Maak van de volgende zinnen één zin.

De leerlingen mogen naar buiten. De leerlingen zijn klaar met hun taak.
De leerlingen
mogen naar buiten.

Question

2
De ondergeschikte bijzin is onderwerp in deze zin.
Zij zei dat we naar huis mochten.

Question

3
De ondergeschikte bijzin is onderwerp in deze zin.
Waar je nu zit, zat vorig jaar mijn nichtje.

Question

4
Welke voegwoorden zijn nevenschikkend?

Question

5
Maak van de volgende zinnen één zin.

Jullie mogen naar buiten. Jullie taak moet wel af zijn.
Jullie mogen naar buiten,
jullie taak af is.

Question

6
Verbinden nevenschikkende voegwoorden een hoofdzin met een hoofdzin?

Question

7
Wat is de hoofdzin?
Toen hij belde, sliep ik.

Question

8
Welke voegwoorden zijn onderschikkend?

Question

9
Nevenschikkende voegwoorden verbinden een hoofdzin met een bijzin.

Question

10
Maak van de volgende zinnen één zin.

Mijn haar is drijfnat. Ik loop al een uur in de regen.
Mijn haar is drijfnat,
ik al een uur in de regen loop.

Question

11
Ik ga werken en jij gaat naar het strand. Deze zin is

Question

12
Welke voegwoorden zijn onderschikkend?

Question

13
Zij is erg lenig, want zij zit al jaren op ballet. Deze zin is

Question

14
Wat is de hoofdzin?
Als het droog is, ga ik fietsen.

Question

15
Maak van de volgende zinnen één zin.

Eerst ga ik werken. Daarna ga ik uit.
Ik ga uit,
ik gewerkt heb.