Questionmark Perception
Oct 16 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Introduction


Quickscan HAVO Scheikunde

Question

1
Vergelijk het aantal neutronen in en .
Wat moet je in de volgende zin invullen?
Het aantal neutronen in een atoom is ..... dan het aantal neutronen in een atoom .

Question

2
Het atoomnummer van N is 7, dat van O is 8.
Hoe groot is het aantal protonen en hoe groot is het aantal elektronen in een ion NO3-?

Question

3
H2O smelt bij 0 °C, kookt bij 100 °C en is volledig ontleed bij 2000 °C.
Wat moet, gezien deze gegevens, worden ingevuld bij (1) en (2)?
De krachten tussen de watermoleculen zijn te verwaarlozen vanaf ...(1) °C en alle bindingen in de watermoleculen zijn verbroken bij ... (2) °C.

Question

4
Gegeven zijn de atoommassa's
H =   1,0 u,
Li =   7,0 u
O = 16,0 u

Hoeveel gram lithium (Li) is er minstens nodig om 12,0 g lithiumhydroxide (LiOH) te bereiden?

Question

5
Men laat in een afgesloten ruimte 80 g calcium en 80 g broom met elkaar reageren.
Hoe groot is de massa van het mengsel na de reactie?

Question

6
Men laat 1,00 mol Fe reageren met 1,25 mol Cl2. Er blijft geen Fe of Cl2 over.
Wat is het reactieproduct?

Question

7
Welke van de volgende processen is exotherm?

Question

8

In alle soorten batterijen vindt een chemische reactie plaats.

Welk type reactie is dit?

Question

9
Kaliumchloraat kan bij verwarmen ontleden. Bij deze ontleding ontstaat zuurstof. Bij deze ontleding kan bruinsteen als katalysator worden gebruikt.

Joke voegt aan 400 mg kaliumchloraat 20 mg bruinsteen toe en zij verwarmt het mengsel.
Na afloop van de proef bepaalt Joke hoeveel zuurstofgas er is ontstaan. Ze herhaalt de proef vier maal. Ze gebruikt steeds 400 mg kaliumchloraat, maar ze gebruikt 40 mg, 60 mg, 80 mg en 100 mg bruinsteen.

Joke zet in een diagram het aantal mg bruinsteen uit tegen het aantal ml zuurstof dat ontstaat.
Welk diagram zal Joke krijgen?

Question

10

Welke van de volgende structuurformules is die van een aminozuur?

Question

11

Drie stoffen worden met de volgende structuurformules weergegeven:

Welke van deze stoffen zijn isomeer?

Question

12
In een laboratorium ontstond bij toeval een nieuwe kunststof uit een mengsel van koolstofmono-oxide en etheen. Hierbij koppelen moleculen koolstofmono-oxide en etheen om en om met elkaar. De nieuwe stof wordt carilon genoemd.
Welke van de onderstaande structuurformules kan een juiste weergave zijn van een stukje van een carilonmolecuul?

Question

13
Het NH4+ -ion is

Question

14

Bij de additie van water aan alkenen ontstaan alkanolen. Beschouw onderstaande beweringen:

I   Bij de additie van water aan but-1-een ontstaat uitsluitend butaan-1-ol.

II  Bij de additie van water aan but-2-een ontstaat uitsluitend butaan-2-ol.

Welke van deze beweringen is juist?

Question

15

Fossiele brandstoffen worden, waar mogelijk, vervangen door alternatieve brandstoffen.

Welke uitspraak is het meest van toepassing?

Question

16
Wat is de oxidator bij de reactie: 2 Fe3+ + Sn2+ → 2 Fe2+ + Sn4+

Question

17
Welke van de volgende reacties is een redoxreactie?

I   Ca + H2O → CaO + H2
II  CaO + H2O → Ca2+ + 2 OH-

Question

18

Het energiediagram van de reactie P + Q  R + S ziet er als volgt uit:

 

 

Maak de juiste keuze bij (1) en (2).

De reactie is  (1); de activeringsenergie is  (2).

 

    (1)                    (2)

Question

19
Men kraakt 1 mol hexaan (C6H14). Hierbij ontstaat 3 mol kraakgas.
Dit kraakgas kan zijn:

Question

20
Welke van de onderstaande uitspraken is juist?

I  Koolstofdioxide versterkt het broeikaseffect
II Zwaveldioxide is een veroorzaker van zure regen

Question

21

In de industrie wordt ammoniak bereid door stikstof en waterstof onder hoge druk en bij verhoogde temperatuur over een katalysator te leiden.

In het reactievat stelt zich het volgende evenwicht in:  N2(g)  +  3 H2(g)   2 NH3(g)

In het blokschema is de ammoniakbereiding weergegeven.

Om de ammoniak uit het evenwichtsmengsel af te scheiden wordt dit mengsel van het reactievat naar een vat P geleid en daar afgekoeld tot een temperatuur waarbij ammoniak condenseert. De stikstof en waterstof, die bij deze temperatuur niet condenseren, worden naar het reactievat teruggevoerd.

Welke stoffen stromen door de leidingen 1 en 2?

     door leiding 1                         door leiding 2

Question

22
Kalkwater kan gebruikt worden om de aanwezigheid van koolstofdioxide aan te tonen.
In welke van de tekeningen is juist weergegeven hoe een gas door kalkwater kan worden geleid?

Question

23

Een leerlinge moet de molariteit van een oplossing bepalen door deze te titreren.

Hiertoe giet zij in een met water schoongespoeld, nog nat bekerglas een hoeveelheid van deze oplossing. Hieruit pipetteert zij 10,00 ml en brengt dit over in een met water schoongespoelde, nog natte erlenmeyer.
Vervolgens gaat zij titreren.

Zal het feit dat het bekerglas en de erlenmeyer nat waren de nauwkeurigheid van de bepaling nadelig beïnvloeden?

 

     Het nat zijn van    Het nat zijn van

     het bekerglas       de erlenmeyer

Question

24
Na afloop van een proef is een maatcilinder gedeeltelijk gevuld met gas.
De maatverdeling van de maatcilinder is in milliliter.

       

Hoeveel mL gas bevat de maatcilinder?