Questionmark Perception
Jun 20 2019 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Question

1
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

De celmembraan is uitsluitend permeabel voor voedingsstoffen.
De celmembraan bestaat uit een rij aaneengesloten eiwitmoleculen.
Cholesterol is een onmisbaar bestanddeel in de celmembraan.




Question

2

Wat behoort tot de functie(s) van het spijsverteringsstelsel?




Question

3
Vul in: anabole of katabole

Biochemische reacties in de cel waarbij grotere moleculen in kleinere worden omgezet en waarbij energie beschikbaar komt noem je
reacties.
Biochemische reacties in de cel waarbij kleinere moleculen in grotere worden omgezet en waarbij energie nodig is noem je
reacties.
Als in de cel assimilatie plaatsvindt gaat dat gepaard met
reacties.
Als in de cel dissimilatie plaatsvindt gaat dat gepaard met
reacties.




Question

4
Wat is een functie van de celkern?




Question

5
Cellen hebben een levenscyclus die in drie fasen te verdelen is. Een daarvan is de functionele fase. Hoe is deze fase het best te omschrijven?





Question

6
Wat is van toepassing op enzymen?
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.




Question

7
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?
Een cel met 2 x 23 chromosomen is een diploïde cel.
Tijdens de celcyclus duurt de delingsfase altijd veel langer dan de groeifase.
Verdubbeling van de chromatiden vindt plaats vlak voor ze vanuit het equatoriale vlak uit elkaar worden getrokken.
De functie van het centrosoom is de vorming van trekdraden tijdens de mitose.
Alle cellen in het menselijk lichaam bevatten 46 chromosomen.




Question

8
Hieronder staan enkele fasen van de mitose. Zet de fasen in de goede volgorde.





Question

9
De cel wisselt continu stoffen met zijn omgeving uit. Welke van de hieronder genoemde begrippen hebben betrekking op actief transport via de celmembraan?
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.





Question

10
Sleep de juiste letter naar de juiste plaats.

a codon
b anticodon
c mRNA gaat vanuit de kern naar het cytoplasma
d het ribosoom loopt het mRNA af, waarbij nieuwe aminozuren aan de polypeptidenketen worden gehecht
e tRNA gaat weer terug om een nieuw aminozuur aan zich te hechten
f nieuw gevormd eiwit
g tRNA met een aminozuur
h tRNA hecht zich op het ribosoom even aan mRNA.
i losse aminozuren in het cytoplasma
j DNA in de kern dient als matrijs voor de opbouw van mRNA
k mRNA vastgehecht aan een ribosoom