Questionmark Perception
Aug 25 2019 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Question

1
Cellen hebben een levenscyclus die in drie fasen te verdelen is. Een daarvan is de functionele fase. Hoe is deze fase het best te omschrijven?





Question

2
Zijn de volgende stellingen juist of onjuist?

De celmembraan bestaat uit een rij aaneengesloten eiwitmoleculen.
De celmembraan is uitsluitend permeabel voor voedingsstoffen.
Cholesterol is een onmisbaar bestanddeel in de celmembraan.




Question

3
Op welke manier stimuleren de nieren het beenmerg tot de productie van meer rode bloedcellen?





Question

4
Wat is een functie van de celkern?




Question

5
Vul in: DNA of RNA.

In het  ligt de codering van de te vormen eiwitten besloten.
De vier stikstofbasen van
zijn adenine, thymine, cytosine en guanine.
heeft de stikstofbase uracil in plaats van thymine.
komt alleen voor in de celkern.




Question

6
Sleep de juiste letter naar de juiste plaats.

a codon
b anticodon
c mRNA gaat vanuit de kern naar het cytoplasma
d het ribosoom loopt het mRNA af, waarbij nieuwe aminozuren aan de polypeptidenketen worden gehecht
e tRNA gaat weer terug om een nieuw aminozuur aan zich te hechten
f nieuw gevormd eiwit
g tRNA met een aminozuur
h tRNA hecht zich op het ribosoom even aan mRNA.
i losse aminozuren in het cytoplasma
j DNA in de kern dient als matrijs voor de opbouw van mRNA
k mRNA vastgehecht aan een ribosoom




Question

7
De cel wisselt continu stoffen met zijn omgeving uit. Welke van de hieronder genoemde begrippen hebben betrekking op actief transport via de celmembraan?
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.





Question

8
Wat zijn chromosomen?





Question

9
Hieronder staan enkele fasen van de mitose. Zet de fasen in de goede volgorde.





Question

10
Wat is van toepassing op enzymen?
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.