Questionmark Perception
Dec 11 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Question

1

Veel markten hebben de marktvorm van volkomen concurrentie. Hierbij hebben de aanbieders en de vragers afzonderlijk geen invloed op de prijs en ontstaat de prijs door vraag en aanbod.

Bekijk de volgende stellingen:

I. In een proces van vrije prijsvorming gaat bij een dreigend vraagoverschot de prijs dalen totdat vraag en aanbod weer met elkaar in evenwicht zijn.
II. De individuele aanbodlijn op korte termijn valt bij gegeven prijzen alleen samen met de MK-curve zolang geldt: p > GTK (> betekent ‘groter dan’).

Geef het juiste antwoord aan:

Question

2

Het verschil tussen de betalingsbereidheid van consumenten voor een bepaald product en de werkelijke prijs, leidt tot een consumentensurplus. Het consumentensurplus verhoogt de welvaart.

Bekijk de volgende stellingen:

I. Bij de marktvorm volledige mededinging is het consumentensurplus maximaal vergeleken met andere marktvormen.
II. Een stijging van de betalingsbereidheid van consumenten voor een bepaald product resulteert in een verschuiving van de collectieve vraagcurve van dit product naar rechts.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

3

Ondernemingen zullen bij hun prijsbeleid rekening houden met de prijselasticiteit van de vraag naar hun product. Een verandering van de verkoopprijs kan gevolgen hebben voor de omzet.

Bekijk de volgende stellingen:

I. Een verhoging van de verkoopprijs leidt bij een elastische vraag tot een stijging van de omzet.
II. Een verhoging van de verkoopprijs leidt bij een volkomen inelastische vraag tot een omzet van € 0.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

4

Consumenten kunnen sparen en beleggen op de vermogensmarkt en stellen daardoor consumptie uit.

Bekijk de volgende stellingen:

I. De vermogensmarkt is een abstracte markt.
II. De individuele prijs van tijd van een individu geeft de mate weer waarin het individu bereid is consumptie uit te stellen.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

5

Werknemers worden door hun werkgever vaak gestimuleerd om zich bij te scholen. Dit kan zowel voor de werknemer als voor de werkgever voordelen geven. Bij scholing is sprake van ruilen over de tijd. Een werknemer heeft ook bij andere situaties te maken met ruilen over de tijd.

Bekijk de volgende stellingen:

I. Het rendement van scholing zit hem in de hogere verdiencapaciteit.
II. Het kopen van een huis is alleen een voorbeeld van ruilen over de tijd, indien dit huis wordt gefinancierd met een hypothecaire lening.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

6

Veel overheden hebben te maken met financiële problemen. De overheidsbegroting vertoont bij veel landen al vele jaren een tekort, waardoor de staatsschuld een grote omvang heeft bereikt.

Bekijk de volgende stellingen:

I. Een daling van de rente leidt tot meer ruimte op de overheidsbegroting.
II. De staatsschuldquote geeft een beter inzicht in de schuldpositie van de overheid dan de staatsschuld op zich.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

7

De speltheorie is het onderwerp van studie van verschillende bekende economen.

Bekijk de volgende stellingen:

I. Het Nash-evenwicht is een situatie waarbij beide spelers hun resultaat niet kunnen verbeteren, gegeven de actie van de andere speler.
II. De speltheorie kan gebruikt worden om de uitkomst van een economiespel te voorspellen.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

8

Het gevangenendilemma beschrijft een situatie in de speltheorie waarbij de spelers hun keuze maken zonder dat zij de actie van de andere speler kennen. In het oorspronkelijke gevangenendilemma worden twee verdachten (Bonnie en Clyde) gearresteerd in verband met een moord, die is gepleegd tijdens een uit de hand gelopen overval. Zij hebben de keuze uit wel bekennen of niet bekennen. Afhankelijk wat de ander doet, wordt de straf bepaald.

Bekijk de volgende stellingen:

I. Het gevangenendilemma kan worden opgelost door samenwerking.
II. Het gevangenendilemma ontstaat door de botsing tussen individuele en collectieve belangen.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

9

Bestaande aanbieders op een markt zullen er meestal niet bij gebaat zijn dat nieuwe concurrenten tot de markt toetreden.

Bekijk de volgende stellingen:

I. Om toetreders af te schrikken moet de dreiging van een prijzenoorlog geloofwaardig zijn.
II. Om toetreders af te schrikken kunnen monopolisten de verkoopprijs zodanig zetten dat zij minder dan maximale winst behalen.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

10

Bij de speltheorie is sprake van een simultaan spel of van een sequentieel spel.

Bekijk de volgende stellingen:

I. Bij het simultaan spel beslissen spelers niet tegelijkertijd.
II. Dreiging heeft alleen zin bij een sequentieel spel.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

11

Ondernemingen moeten vaak investeren om met het oog op het behoud en/of toename van de winst. Bedrijven zullen bij investeringsbeslissingen rekening houden met een eventueel berovingsprobleem en de kans op verzonken kosten.
Bekijk de volgende stellingen:

I. Het verschijnsel 'verzonken kosten' voorkomt dat er kartels ontstaan.
II. Het berovingsprobleem leidt tot een verzwakking van een onderhandelingspositie van een bedrijf.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

12

Verzekeringen zijn in het leven van de Nederlander niet meer weg te denken. Verzekeringsmaatschappijen hebben vele soorten verzekeringen in de aanbiedíng. "Risico's overdragen" is een van de sleutelbegrippen bij het afsluiten van verzekeringen.
Bekijk de volgende stellingen:

I. Doordat de basisziektekostenvezekering een verplichting is voor iedereen voorkom je averechtse selectie.
II. Risicoavers gedrag van mensen is ongunstig voor verzekeringsmaatschappijen.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

13

ls de spaarrente op de bank erg laag is, dan heb je kans dat er minder mensen gespaard wordt bij een bank. Zo kan men bijvoorbeeld meer risicovol gaan beleggen.
Bekijk de volgende stellingen:

I. Beleggen in obligaties via de effectenbeurs is door mogelijke koerswijzigingen even rísícovol als aandelen.
II. Versneld aflossen van je hypotheek is geen alternatief voor sparen.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

14

De inkomensverdeling heeft de voortdurende aandacht van de politieke partijen in Nederland. Men kijkt dan meer naar de secundaire, dan naar de primaire verdeling en vergeet soms te kijken naar de tertiaire verdeling.

Persoon A stelt: Als mensen met een hoger inkomen meer euro's belasting betalen dan mensen met een lager inkomen, dan:
I. Zal de secundaire inkomensverdeling zeker minder scheef zijn dan de primaire inkomensverdeling.
II. Zal de Gini-ratio van de tertiaire inkomensverdeling zeker hoger zijn dan die van de primaire inkomensverdeling.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

15

De overheid heeft verschillende economísche doelen, zoals voldoende werkgelegenheid, evenwichtige en duurzame groei etc. Instrumenten die goed werken m.b.t. het ene doel, kunnen het andere doel weleens minder gemakkelijk bereikbaar maken! Bekijk daartoe de volgende (ceteris paribus) uitspraken.

I. Hogere inkomstenbelasting zal de werkgelegenheidsgroei geen goed doen, maar is wel gunstig voor de betalingsbalans.
II. Stimuleren van de groei via investeringssubsidies leidt tot opwaartse druk op de prijzen.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

16

ln Nederland wordt regelmatig door politieke partijen over ons inkomstenbelastingstelsel gediscussieerd en de daarbij behorende aftrekposten. Zo heeft de ene partij het over "vlaktaks invoeren" en de ander het over "versterken van de progressie". Bekijk de volgende stellingen.

I. Ondanks dat in Nederland de marginale belastingdruk hoger is dan de gemiddelde druk hebben we toch in feite te maken met een vlaktaks. Dit komt door de algemene heffingskorting.
II. Door de hypotheekrenteaftrek te beperken, versterk je het effect van de werking van de progressie in ons inkomstenbelastingstelsel.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

17

De som van alle toegevoegde waardes in een land ís een belangrijke maatstaf voor de welvaart. We moeten daarbij dan wel onderscheid maken tussen de welvaart in ruime en in enge zin. Bekijk de volgende stellingen:

I. Als het nationale inkomen in een land toeneemt, dan moet de som van de toegevoegde waardes in een land ook altijd toenemen.
II. De welvaart in ruime zin kan toenemen als de welvaart in enge zin afneemt.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

18

Liberalisering van de internationale handel geeft volgens de economische theorie uiteindelijk voor alle landen een welvaartsvoordeel. Toch zie je dat grote groepen mensen zich verzetten tegen deze 'globalisering'.
Vanuit de economische theorie geldt:

I. Liberalisering geeft op lange termijn de meeste voordelen voor landen die lage arbeidskosten hebben.
II. Liberalisering en dumping horen volgens de theorie niet bij elkaar.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

19

De wisselkoers van de euro fluctueert sterk ten opzichte van de dollar. Dit heeft verschillende oorzaken. Als mogelijke stijging van de euro ziet men:

I. Steeds meer landen gaan de euro in plaats van de dollar gebruiken als onderdeel van de monetaire reserves.
II. De export van de eurozone groeit de laatste tijd gestaag.

Geef het juiste antwoord aan:

Question

20

De omloopsnelheid van het geld bepaalt mede de vraag naar goederen en diensten in een economie. Een vergroting van de omloopsnelheid:

I. Verwacht je als de centrale bank voor grote bedragen staats- en bedrijfsobligaties opkoopt.
II. Kan het gevolg zijn van inflatie.

Geef het juiste antwoord aan: