Questionmark Perception
Dec 11 2018 |
Logged in as : test
Help
Change contrast
Change font size

Question

1
Volgens welk beginsel van de World Trade Organization (WTO) is non-tarifaire protectie verboden?

Question

2
In de tabel is aangegeven hoeveel eenheden arbeid twee landen (Europa en Japan) nodig hebben om een eenheid kleding of een eenheid voedsel voort te brengen.
Welke conclusie kun je op basis van de gegeven tabel trekken wat betreft comparatieve kostenvoordelen?



Question

3
In de tabel is aangegeven hoeveel eenheden arbeid twee landen (Europa en Japan) nodig hebben om een eenheid kleding of een eenheid voedsel voort te brengen. We veronderstellen dat Europa zich specialiseert in het maken van voedsel en dat Japan zich toelegt op de kledingproductie. De ruilvoet is 3 eenheden kleding voor 1 eenheid voedsel.
Over hoeveel eenheden voedsel kan Japan in geval van specialisatie beschikken per 1000 uren arbeid?



Question

4
Veronderstel dat twee landen, Extasia en Dromenland, zich elk specialiseren volgens de  Wet van de comparatieve kostenverschillen (zie de tabel). De ruilvoet die in dat geval ontstaat, is bepalend voor de vraag welk van de twee landen het meest profiteert van de onderlinge handel.
Bij welke ruilvoet is het voordeel precies gelijk verdeeld over de twee landen?



Question

5
Volgens de Amerikaanse econoom Michael E. Porter wordt de concurrentiekracht van landen bepaald door vier factoren die elkaar ook weer onderling beïnvloeden.
In welk van de onderstaande gevallen zijn de juiste factoren die volgens Porter de facetten van de diamant vormen, juist en volledig genoemd?


Question

6
Waarvoor pleit het zogenoemde 'infant industry'-argument?


Question

7
Gegeven zijn de twee onderstaande uitspraken met betrekking tot protectie.
Zijn deze uitspraken juist of onjuist?

A.  Het 'infant industry'-argument gaat op voor alle startende ondernemingen.
B.  Quota zijn meer in strijd met de beginselen van vrijhandel dan invoerrechten.

Question

8
In de figuur wordt de prijsvorming van een agrarisch product op de markt van de Europese Unie (EU) beschreven. De wereldmarktprijs voor dit product bedraagt Pw.
De EU beschermt zijn boeren door het heffen van een specifiek invoerrecht, waardoor de prijs van het product op de Europese markt stijgt naar Pw1.
Hierdoor stijgt de lokale Europese productie, maar deze stijging is minder groot dan het afzetverlies dat buitenlandse leveranciers lijden.
Hoe valt dit te verklaren?


Question

9
Waarom benadeelt een land zich zelf als het een invoerrecht heft?

Question

10
Gegeven is de figuur waarin de (korte termijn) gevolgen worden geschetst van een invoerrecht.
Welke conclusie kan uit de figuur worden getrokken?


Question

11
In het schema is aangegeven hoeveel winst of verlies de twee vliegtuigbouwers Boeing en Airbus zouden maken onder verschillende omstandigheden.
Wat is gegeven de cijfers uit de tabel de meest waarschijnlijke uitkomst?


Question

12
Kijk opnieuw naar de tabel. Neem aan dat de Europese Unie een ontwikkelsubsidie van 20 verstrekt aan Airbus.
Welke situatie zal hierdoor ontstaan?


Question

13
De tabel schetst het prisoner's dilemma van de Europese Unie en de Verenigde Staten in het internationaal handelsoverleg (onder de veronderstelling dat zij de enige 'spelers' zijn in dit overleg). Waaruit blijkt dat hier sprake is van een dominante strategie voor beide spelers?